Goudsmit geeft pijnlijk beeld wetenschap

Zap

De documentaire Jiro Dreams of Sushi, over sushichef Jiro Ono en zijn driesterrenrestaurant.
De documentaire Jiro Dreams of Sushi, over sushichef Jiro Ono en zijn driesterrenrestaurant.

Het was een pijnlijk eerlijke avond voor de wetenschap, de aflevering van Zomergasten met hoogleraar/epidemioloog en viroloog Jaap Goudsmit. Hij leek in zijn verhalen en fragmenten vooral te willen laten zien dat wetenschappers ook maar gewoon mensen zijn die bij toeval of vanuit intuïtie ontdekkingen doen, maar die ook geregeld improviseren, falen en vervolgens met die mislukkingen moeten zien te leren leven.

Zoals Goudsmit zelf, die in 1990 dacht een medicijn tegen aids te hebben ontdekt, maar die ontdekking later moest intrekken omdat hij het onderzoek ernaar „slordig”, zoals hij het zelf noemde, had uitgevoerd. „We wisten nog weinig over het virus”, zei hij, maar de samenleving wilde snel een medicijn en onder die druk was hij bezweken. Zo eerlijk zie je de grote namen uit de wetenschap zelden op tv. De parallel met de coranacrisis drong zich op: we weten er nog verbluffend weinig over, maar toch wordt van de wetenschap verwacht dat er snel een vaccin komt – een vrijwel onmogelijke opgave.

Interviewer Janine Abbring leek de eerste helft nerveus te worden van al die eerlijkheid. Ze interrumpeerde Goudsmit vaak, alsof ze hem snel weer terug op zijn voetstuk wilde zetten als de vermaarde wetenschapper die ze besteld had. Die status maakte Goudsmit meer dan waar. Maar hij bleef die ontwapenende, nuchtere, ontregelende eerlijkheid de hele avond houden.

Bijvoorbeeld toen hij vertelde dat hij nooit zo’n briljant wetenschapper zou worden als zijn leermeester Carleton Gajdusek, die een Nobelprijs kreeg voor zijn onderzoek naar de hersenziekte kuru bij de Fore-stam in Papoea-Nieuw-Guinea waarover hij een fragment liet zien.

Gajdusek had intuïtief aangevoeld dat kuru werd verspreid door een ritueel waarbij vooral vrouwen en kinderen de hersenen van overleden familieleden aten, en hij bewees dat vervolgens in twee experimenten – wetenschap in de „supercategorie”, vond Goudsmit – en voor hem onbereikbaar. Dat Gajdusek later in de cel belandde wegens kindermisbruik, was andermaal een bewijs dat (briljante) wetenschappers allesbehalve onfeilbaar zijn.

Over zijn eigen leven was hij ook openhartig. Hij vertelde over de depressie die hij door basketbal en therapie te boven was gekomen. Maar ook over zijn door de oorlog getraumatiseerde joodse moeder, zijn afwezige vader en zijn zwijgzame grootvader die hem grotendeels had opgevoed, vertelde hij indrukwekkend rustig. Abbring had zich toen allang weer herpakt. Ze vroeg door op het juiste moment, was scherp, slim, empathisch, én rechtvaardig.

Van zijn moeder, een gelauwerd documentairemaakster, had Goudsmit geleerd hard te werken en je zoveel mogelijk proberen voor te bereiden op rampspoed die overal kon ontstaan. Tegelijkertijd wist hij ook wel dat dat onmogelijk was.

Daar was hij als toevallige ooggetuige tijdens 9/11 achter gekomen, zo vertelde hij, toen hij de aanslagen zelf compleet verkeerd had ingeschat en veel te laat had ingezien dat de wereld voorgoed veranderd was. Je kan je niet wapenen tegen grote rampen, leek zijn boodschap, je kan louter hopen op de mix van kennis en toeval, serendipiteit, die de wetenschappelijke verlossing brengt.

Zijn „keuzefilm” was All is lost, waarin Robert Redford een man speelt die na een schipbreuk op een vlot moet zien te overleven op zee. Zo zag Jaap Goudsmit het leven ook: „Als het overkomen van hindernissen en de hoop dat je ergens heendrijft wat zin heeft.” Hoopvol, zei hij, maar ik kon de film niet anders zien dan als een metafoor voor de coronacrisis – een wrak sloepje dat een speelbal is van de golven.

Ik durfde niet te gaan kijken hoe de film afloopt.