Een muisje is van ons heengegaan

Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: Chuck E. Cheese, een kruising van een pizzeria, een kermis en een ballenbak.
Illustratie Eliane Gerrits

Een voor een verdwijnen ze, de dinosauriërs onder de bedrijven. Even genadeloos als de inslag van de meteoriet miljoenen jaren geleden, veegt het coronavirus winkelketens weg waar generaties Amerikanen mee zijn opgegroeid. Ze waren al op sterven na dood, levende fossielen uit een tijd die eigenlijk lang voorbij was. Covid gaf ze het laatste zetje.

Zoals Brooks Brothers, de herenmodezaak die meer dan twee eeuwen bijna alle Amerikaanse presidenten kleedde. Of het autoverhuurbedrijf Hertz. Het virus maakt geen klassenonderscheid. Zowel het warenhuis J.C. Penney (niveau V&D min) als het chique Neiman Marcus (de Bijenkorf plus) gingen kopje-onder.

Maar het nieuws van vanmorgen raakte me in het hart. Chuck E. Cheese is ter ziele. Deze zaak houdt het midden tussen een pizzeria, een kermis, een speelhol en een ballenbak. Denk aan een Amerikaans kinderparadijs, en dan met de muziek op tien. In de tijd vóór de elektronica, toen je voor vertier nog het huis uit moest, was dit het uitje voor kinderen waar geen land mee te bezeilen viel. De zaak was genoemd naar een cartoonfiguur, geboren als rat, later ‘gepromoveerd’ tot muis. God hebbe Chucky’s ziel.

Aan ‘Stukkie Kaas’ halen we als gezin nog vaak herinneringen op. De oudste had het ontdekt op een kinderfeestje. De zomer daarop waren we op vakantie in de Rocky Mountains, toen de hongerklop genadeloos toesloeg. Gelukkig vonden we een Chuck E. Cheese ‘in de buurt’. De kinderen waren meteen enthousiast. Kat én muis in ’t bakkie. Alleen, het bleek verder te zijn dan we dachten. Een lange rit bracht ons naar een nietszeggende woestijnstad, bezaaid met tankstations, tweedehandsautozaken en fastfoodketens. Na enkele verkeerde afslagen vonden we een shopping mall die treurigheid tot kunst had verheven. De bioscoop was failliet. De matrassenwinkel stond leeg. Overal slingerden verhuisdozen. Maar daar was het logo van de muis.

En daar ging het grut. Met een zak muntjes die we bij de ingang kochten. Een voor een gingen die in de als kermisattracties vermomde gokautomaten, die bij winst tickets uitspuugden. Niet een of twee, maar meterslange linten. Onze kinderen ontpopten zich als totale gokverslaafde junkies, die telkens wanneer ze gescoord hadden hun oogst als trofeeën op de tafel legden, waar wij de vieste pizza uit ons leven aten. Ook begrepen ze al snel dat niet alle kinderen doorhadden dat de kaartjes onder uit de machines kwamen.

Aan het eind van de middag kwam het moment suprême. Met de buit van handenvol bonnetjes, niet allemaal even eerlijk verdiend, gingen we naar de kiosk met cadeautjes. Verlekkerd eigenden ze zich al de plastic diertjes, waterpistolen en andere goedkope rommel toe.

We hebben geen kaas gezien. De pizza kwam er al uit voordat we terugreden. Achter in de auto speelden ze met het klappertjespistool tot het van ellende uit elkaar viel. Toen vielen ze, uitgeput door pure overstimulatie, in een diepe, gelukzalige roes.

Vandaag sta ik even stil bij het verlies van ‘Stukkie’. Niet alleen de dinosauriërs, maar ook een muisje is van ons heengegaan. Evenals de snel gevulde kinderhand.

Reacties naar pdejong@ias.edu