De schaduwpandemie van ‘geweld achter de voordeur’

Kirsten van den Hul Nederland moet alerter zijn op geweld tegen vrouwen tijdens de coronacrisis, zegt Tweede Kamerlid Kirsten van den Hul.

Kirsten van den Hul (PvdA, midden) in 2018 bij de lancering van een initiatief voor meer aandacht voor vrouwenrechten.
Kirsten van den Hul (PvdA, midden) in 2018 bij de lancering van een initiatief voor meer aandacht voor vrouwenrechten. Foto Remko de Waal/ANP

Een „pandemie binnen de pandemie”. Zo noemen de Verenigde Naties de wereldwijde stijging van huiselijk geweld tegen vrouwen tijdens de coronacrisis. Terwijl in andere Europese landen het aantal meldingen van mishandeling afgelopen maanden steeg met 20 tot 30 procent, en in Brazilië zelfs met 40 tot 50 procent, lijkt Nederland aan deze ‘schaduwpandemie’ te ontsnappen.

Maar Tweede Kamerlid Kirsten van den Hul (PvdA) gelooft daar niets van. Ze wijst op een bericht van vorige maand dat haar niet geruststelde, integendeel. De stichting Veilig Thuis meldde dat er tijdens de lockdown „gelukkig” geen significante stijging te zien was van huiselijk geweld. Dit landelijke netwerk van 26 meld- en adviespunten, door de overheid gefinancierd, krijgt maandelijks gemiddeld 11.000 meldingen en voert 9.000 adviesgesprekken over hulptrajecten. Tijdens de lockdown daalden deze cijfers in sommige regio’s. „Maar dat zegt niets”, zegt Van den Hul. „Veilig Thuis geeft dat zelf ook aan. Iedereen moest thuisblijven, ook hulpverleners. Die kwamen dus minder over de vloer bij kwetsbare gezinnen.” Veel meldingen worden gedaan door professionals.

Lees ook: Aan huiselijk geweld valt nu bijna niet meer te ontsnappen

Volgens haar spelen zich achter Nederlandse voordeuren in deze coronatijd dezelfde drama’s af als elders. Ze heeft daar ook aanwijzingen voor: bij hulpverleningsorganisatie Fier, die jaarlijks zo’n 20.000 chatgesprekken voert met slachtoffers, kwamen tijdens de lockdown 30 procent meer chats binnen. Het probleem is volgens Van den Hul niet opgelost nu de lockdown voorbij is. „Uit onderzoek weten we dat grote maatschappelijke en economische veranderingen leiden tot een toename van geweld achter de voordeur. We staan aan het begin van een recessie. Als er ontslagen vallen, loopt de spanning thuis op en neemt het geweld toe.”

Het Kamerlid vermijdt bewust de term ‘huiselijk geweld’, ze zegt liever ‘geweld achter de voordeur’. „Er is niets huiselijks aan geweld.”

Ik ben de politiek in gegaan om een stem te geven aan iedereen die dit meemaakt

Ze spreekt uit ervaring: in het verleden werd ze mishandeld door haar toenmalige partner. Een heftig verhaal van bloed op de muur en buren die de deur niet opendeden toen ze in nood aanbelde. „Ik had het geluk dat ik financieel onafhankelijk was en mezelf uit die situatie kon bevrijden. Ik heb nooit gebruikgemaakt van hulpverlening of opvang en ik heb ook nooit aangifte gedaan. Maar ik herinner me nog goed de pijn, de eenzaamheid en de schaamte. Ik ben de politiek in gegaan om een stem te geven aan al diegenen die dit meemaken.”

In Nederland blijven slachtoffers stiller dan in andere landen, zegt ze. „Hier wordt 99 procent van de meldingen gedaan door hulpverleners.” Dat bleek begin dit jaar uit een rapport van Grevio, een groep deskundigen die onderzoekt of landen de Istanbul Conventie tegen vrouwenmishandeling naleven. „En áls slachtoffers zich al melden, is dat gemiddeld pas na het 33ste incident.” Een van de verklaringen zou kunnen zijn dat vrouwen bang zijn hun kinderen kwijt te raken, want Veilig Thuis pakt ook kindermishandeling aan. In andere landen bestaan er organisaties waar dat gescheiden is. Bij Fier, dat zich alleen op vrouwen richt, kwam maar liefst 90 procent van de berichten wél van slachtoffers zelf, de rest van bezorgde buren of kennissen. „Met Fier kun je chatten, dat is minder eng dan een telefoontje”, zegt Van den Hul. „Je hoeft niet bang te zijn dat je partner je hoort praten. Gelukkig heeft Veilig Thuis intussen ook zo’n chatfunctie gekregen.”

Lees ook dit interview met hoogleraar gendergerelateerd geweld Renée Römkens: ‘Bekijk de pandemie ook met een genderblik’

Van den Hul maakt zich als Kamerlid sterk voor het verlagen van de drempels voor slachtoffers om zich te melden. „Aan mij wordt wel gevraagd: waarom vertelde je niks aan je huisarts? Maar dat was ook zijn huisarts.” Het is mede aan haar te danken dat er tijdens de coronacrisis afspraken zijn gemaakt met apotheken, waar slachtoffers nu net als in Frankrijk, Italië en Spanje om hulp kunnen vragen door aan de balie een codewoord te noemen: ‘masker 19’. „Ik heb van de apothekersvereniging gehoord dat dit al zeker zestien tot twintig keer gebeurd is”, zegt ze. „Dat is een succes, maar er is meer nodig. Ik wil dat we een voorbeeld nemen aan Frankrijk. Daar kunnen slachtoffers niet alleen terecht bij apotheken, maar ook bij supermarkten. En er is een grootscheepse publiekscampagne gevoerd, dat moet in Nederland ook gebeuren. Iedereen kent het alarmnummer 112, maar niemand 0800-2000, dat je kunt bellen als je vermoedt dat iemand in je omgeving wordt mishandeld.”

Er moet ook genoeg opvangcapaciteit zijn, zegt ze. „Ik krijg signalen dat er ook in Nederland te weinig plekken zijn, maar cijfers ontbreken. Er is geen overzicht omdat de opvang gedecentraliseerd is naar gemeenten. Ik pleit voor een Nationaal Rapporteur, zoals je die hebt voor mensenhandel. Die kan over schuttingen kijken.”

Lees ook: ‘Landelijke coördinatie aanpak huiselijk geweld is gewenst’

„Ik zeg al een tijdje: kunnen we de kappers niet betrekken? Die zien blauwe plekken als ze haren wassen. Natuurlijk is het moeilijk om daarover het gesprek te openen met een klant, maar dat kun je leren. In de Verenigde Staten is dat in sommige staten inmiddels onderdeel van de kappersopleiding.” Heeft zij, als ervaringsdeskundige, tips hoe je zo’n gesprek begint? „Het allerbelangrijkste is de vraag stellen: gaat het goed met je? Is er iets wat ik kan doen? Niet wegkijken maar een open vraag stellen, daar kun je levens mee redden.”