Opinie

Laat de zzp’er vrij

Arbeid Noch zzp’ers, noch opdrachtgevers zitten te wachten op nieuwe criteria die van een zzp’er sneller een werknemer maken, schrijven en .
Foto Chris Tobin/Getty

Over de positie van zelfstandigen zonder personeel, de zzp’er, is de laatste jaren veel te doen geweest. Tot 1 mei 2016 gold de VAR-verklaring, die duidelijkheid bood en eenvoudig en veilig was voor zowel de zzp’er als het bedrijf. Vooraf was er een verklaring van de overheid dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst en die was één jaar geldig. De VAR werd afgeschaft en daarvoor in de plaats kwam de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Daarmee kwam er meer onduidelijkheid en veel administratieve rompslomp. Zzp’ers moeten voor iedere opdracht een nieuw (model)contract afsluiten. De modelcontracten bieden vaak geen soelaas en dan kan een niet-modelcontract worden opgesteld, dat vooraf door de Belastingdienst moet worden goedgekeurd. Dat vertraagt en kost onnodig veel geld.

Zzp’ers worden steeds meer aan banden gelegd en de flexibiliteit, die de zelfstandige zo aanspreekt, wordt steeds verder uitgehold. Als hij niet oppast heeft hij een arbeidscontract. En in februari sloten de sociale partners zelfs een akkoord over een verplichte ziektekostenverzekering. Kosten waar een echte zzp’er, die er zelf voor heeft gekozen zzp’er te zijn, niet op zit te wachten. De bedrijven die een zzp’er inhuren overigens ook niet, want de kosten om een zelfstandige in te huren zullen daarmee onherroepelijk stijgen.

Voor veel bedrijven is het inhuren van zelfstandigen aantrekkelijk. Zij werken met een flexibele schil van zzp’ers met een overeenkomst van opdracht om de werknemers met een arbeidscontract heen. Bedrijven kunnen daardoor inspelen op een snel veranderende markt, of op onvoorziene omstandigheden. Dat zien we nu in de coronacrisis. Bij reorganisaties kunnen bedrijven op een makkelijkere en goedkope manier af van hun flexibele schil.

Zelfstandig of werknemer?

Het gezagscriterium en de bedoeling van de partijen die de overeenkomst aangaan, het bedrijf en de zzp’er, zijn op dit moment belangrijke criteria om vast te stellen of er sprake is van een overeenkomst van opdracht of van een arbeidsovereenkomst. Zolang er gebruik wordt gemaakt van een door de overheid verstrekte modelovereenkomst, er door de opdrachtgever geen instructies worden gegeven hoe het werk moet worden uitgevoerd (het gezagscriterium) en de bedoeling van beide partijen is om de zzp’er als zelfstandige in te huren, kunnen de zzp’er en de opdrachtgever zich relatief veilig voelen.

Lees ook: Banenverlies treft alle lagen van de arbeidsmarkt

Daar komt mogelijk een einde aan. Momenteel is er namelijk een zaak aanhangig bij ons hoogste rechtscollege, de Hoge Raad. Die zaak is nu in een stadium dat de advocaat-generaal een advies heeft gegeven aan de Hoge Raad. Dat advies is medebepalend voor het oordeel dat de Hoge Raad uiteindelijk zal vellen.

Sneller sprake van werknemer

De advocaat-generaal gooit in haar advies de twee belangrijke criteria om te bekijken of sprake is van een overeenkomst van opdracht overboord. Of er sprake is van een gezagsverhouding, hangt volgens de advocaat-generaal niet af van het geven van instructies, maar van de vraag of het werk organisatorisch is ingebed bij de opdrachtgever en of de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel zijn van de bedrijfsvoering. Dat is natuurlijk al heel snel het geval. Als arbeid niet in dienstbetrekking wordt verricht moet er, volgens de advocaat-generaal, bovendien sprake zijn van een zekere mate van ondernemerschap. Dat laatste heeft de opdrachtgever, het inhurende bedrijf, niet in de hand.

Lees ook: Wie betaalt de boete bij een verkapt dienstverband?

Neem bijvoorbeeld de sectie arbeidsrecht van een advocatenkantoor. Stel dat er door onderbezetting een zzp’er nodig is en de jurist Pieter wordt ingehuurd. Pieter doet af en toe wat invalklussen ofwel op advocatenkantoren ofwel bij bedrijven. Het is een echte vrijbuiter en hij wil absoluut geen werknemer zijn en dat wil het kantoor in dit voorbeeld ook niet. Pieter zit op dezelfde afdeling als de andere arbeidsrechtadvocaatwerknemers. Pieter komt elke dag en kan zijn werk zelfstandig uitvoeren. Hij ontvangt geen instructies. Hij maakt – vanwege de privacy – gebruik van het kantoorsysteem. Hij werkt voor de klanten van de sectie. Pieter wordt uiteraard meegevraagd naar kantoorlunches en wordt ook uitgenodigd voor het kantoorfeest. Kortom, Pieter is organisatorisch ingebed en de werkzaamheden zijn een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering. Pieter is geen werknemer, omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding en de bedoeling van partijen is dat Pieter een zzp’er is. Als je de lijn van het advies volgt, heeft Pieter opeens wel – ongewild – een dienstverband.

De Hoge Raad moet niet in dit advies meegaan. Er zal dan veel sneller dan nu sprake zijn van een – door beide partijen ongewilde – arbeidsovereenkomst. Het risico om een zzp’er in te huren stijgt, de flexibele schil zal slinken en daardoor zullen de werknemers met een vast arbeidscontract sneller hun baan verliezen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.