Foto Roger Cremers

Interview

‘Het is de afgelopen twee eeuwen fout gegaan met de ontwikkeling van ons vrijheidsbegrip’

Annelien de Dijn | historicus Wat is vrijheid: dat de burger kan bepalen door wie hij bestuurd wordt, of dat de overheid de burger met rust laat? Tussen die twee benaderingen is een eeuwenlange strijd gaande. „Het negatieve vrijheidsbegrip heeft compleet de overhand gekregen.”

Verplicht een mondkapje dragen? Dat is je reinste tirannie! Wereldwijd ruziën mensen nu al maanden over de wenselijkheid van het dragen van gezichtsbedekking om verspreiding van het nieuwe coronavirus tegen te gaan. Los van de onenigheid over het medische nut van deze maatregel zijn er ook tegenstanders van een mondkapjesplicht die het principieel oneens zijn met het feit dat de overheid dit soort oekazes afkondigt. Zij vinden dat een onaanvaardbare inperking van hun vrijheid. „En dát laat nu precies zien hoe het de afgelopen twee eeuwen fout is gegaan met de ontwikkeling van ons vrijheidsbegrip”, zegt Annelien de Dijn, hoogleraar moderne politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.

Eind juli verscheen bij Harvard University Press Freedom: An Unruly History, een boek waarin De Dijn de geschiedenis van het begrip ‘vrijheid’ onderzoekt. Hoe heeft dit idee in het Westen in de afgelopen 2.500 jaar maatschappelijk en politiek vorm gekregen? De Dijn begint bij de Oude Grieken en eindigt bij de neoliberalen die het eind twintigste eeuw overal voor het zeggen kregen. Het boek staat vol met grote ideeën en grote namen – onder vele anderen Plato, Tacitus, Petrarca, Hobbes, Rousseau, Hayek – maar leest desalniettemin als een pageturner.

Dat komt door de spanning die er al ruim twee millennia bestaat tussen wat de Britse filosoof Isaiah Berlin in een beroemd essay uit 1958 positive liberty en negative liberty noemt. Positieve vrijheid is de vrijheid om als burgers te bepalen hoe en door wie je bestuurd wordt. Negatieve vrijheid is de vrijheid om te doen wat je wilt en door de overheid met rust te worden gelaten. Nota bene: de termen positief en negatief houden geen moreel oordeel in over de twee soorten vrijheid.

Het filosofische concept vrijheid bestond al binnen andere culturen

De Dijn: „Elke keer als mensen probeerden een maatschappij democratischer te maken – en dus de positieve vrijheid te vergroten – kwamen daartegen conservatieve krachten in het geweer, die het belang van individuele vrijheid benadrukten en waarschuwden voor een tirannie van de meerderheid.”

Was dat meteen al zo toen het idee van politieke vrijheid ontstond in het Oude Griekenland?

„Ja. Het filosofische concept vrijheid bestond al binnen andere culturen, maar de Grieken waren de eersten die het politiek uitwerkten. Ze deden dat tijdens de oorlogen die ze in de vijfde eeuw voor Christus uitvochten met het rijk van de Perzische koningen, lezen we bij Herodotus. Wie leefde onder de knoet van vorsten als Darius en Xerxes was eigenlijk niet beter dan een slaaf, vonden de Grieken. Je mocht niet zelf bepalen wat je deed en je eigendommen konden je zomaar worden afgepakt. Om die rechten te waarborgen, was er een systeem nodig waarin zoveel mogelijk mannen – géén slaven en vrouwen – een stem kregen in het bestuur van de staat: democratie dus. Iemand als de Atheense leider Perikles [495–429 v.Chr.] concludeerde in feite dat je voor zoveel mogelijk negatieve vrijheid zoveel mogelijk positieve vrijheid nodig had.

We willen als mensen graag onze eigen fouten maken

„De reactie hierop kwam van Grieken die meer heil zagen in het bestuur door een elite. Een bekende vertolker van dit geluid was de Oude Oligarch, die we zo noemen omdat zijn teksten anoniem zijn overgeleverd. Hij stelde dat ook democratische meerderheden vrijheden kunnen inperken: dan ontstaat er een tirannie van de meerderheid. Dat is natuurlijk een volledig plausibel argument, dat daarom ook altijd wordt ingebracht als conservatieve kritiek op de democratie. Een blik op de geschiedenis leert echter dat oligarchisering – het naar zich toetrekken van politieke en economische macht door een klein groepje – een grotere bedreiging is voor de vrijheid dan democratisering.”

Plato dacht dat hij dé oplossing voor dit probleem had gevonden. Hij stelde als heerser een filosoof-koning voor die het beste met iedereen voorheeft.

„Dat lijkt een aanlokkelijk idee, maar helaas voor Plato blijkt zo’n oneindig wijze en goede leider in de praktijk onvindbaar. En zelfs al zou hij er zijn: we willen als mensen graag onze eigen fouten maken. Stel je voor dat zo’n leider zegt: Annelien, jij komt veel beter tot je recht als tuinder dan als historicus. Dat kan dan misschien wel zo wezen, maar ik beschik daar toch liever zelf over.”

Hoe belandde het Griekse, democratische vrijheidsbegrip in de moderne tijd?

„Via de Romeinen. Rome was lange tijd een republiek die werd bestuurd door gezagsdragers die via verkiezingen aan de macht waren gekomen. Rijke mensen hadden een streepje voor in de democratie, maar het volk had wel degelijk wat te zeggen. Toen er aan het begin van onze jaartelling een keizerrijk ontstond, was het gedaan met die inspraak van gewone burgers. Auteurs als Tacitus, Livius en Plutarchus, die schreven in de vroege keizertijd, keken met weemoed om naar de Republiek en idealiseerden die. Dat geluid werd na ruim tien eeuwen tijdens de Renaissance afgestoft.”

Zonder Petrarca geen Renaissance, wat mij betreft

In uw boek speelt hierbij de Italiaanse humanist Francesco Petrarca (1304-1374) een bijzonder prominente rol. Waarom is dat?

„Zonder Petrarca geen Renaissance, wat mij betreft. Hij ontrukte niet alleen klassieke teksten aan de vergetelheid, hij wist die ideeën ook op een fantastische manier te verkopen. Natuurlijk is dat niet het hele verhaal: er waren ook economische ontwikkelingen die ervoor zorgden dat er een klasse burgers ontstond die op zoek was naar rolmodellen buiten de Bijbel. En daar was toen Petrarca, die met laaiend enthousiasme die oude denkers en hun ideeën aan de man bracht.

„In de praktijk was de Renaissance in Italië natuurlijk ook een tijd van bloedige oorlogen tussen de elites van verschillende stadstaten, maar het idee dat burgers niet per se bestuurd hoefden te worden door een vorst – zoals in de Middeleeuwen – had weer postgevat.”

Op de Renaissance volgde de Reformatie. Was die beweging ook een zetje in de rug van de vrijheid?

„Volgens sommige historici wel, maar ik vind juist van niet. Zeker, Maarten Luther [1483-1547] pleitte voor vrijheid, maar dat was vooral de vrijheid om niet te zondigen en om bij God te zijn. Dat je zelf de Bijbel mocht bestuderen, wilde niet zeggen dat je je van je wereldlijke vorst niets hoefde aan te trekken. Als het erop aankwam, bijvoorbeeld tijdens de boerenopstanden aan het begin van de Reformatie, steunde Luther altijd de gevestigde macht.”

Filosofen waren op zoek naar een alternatief voor de Bijbel als bron van politieke autoriteit

In de tijd die vooraf ging aan de grote revoluties werd veel denkwerk verricht over het natuurrecht. Waarom?

„Filosofen waren op zoek naar een alternatief voor de Bijbel als bron van politieke autoriteit. Zo kwamen ze uit bij het natuurrecht, dat veronderstelt dat er universele, onvervreemdbare rechten zijn die in de natuurlijke orde der dingen zijn gegeven en dus boven menselijke wetgeving staan. Het interessante is dat uit het bestaan van dit soort rechten heel verschillende conclusies zijn getrokken.

„Thomas Hobbes [1588-1679] stelde dat dit betekent dat alle mensen gelijk zijn, en dat er dus een strijd van allen tegen allen zal ontstaan. Om die chaos te voorkomen, pleitte hij in zijn Leviathan voor de heerschappij van een absoluut monarch. Hugo de Groot [1583-1645] komt in zijn De iure belli ac pacis tot eenzelfde slotsom, waarbij hij wel stelt dat die onderwerping aan een monarch op vrijwillige basis moet gebeuren.

„Denkers als Benedictus de Spinoza [1632-1677] en Jean-Jacques Rousseau [1712-1778] waren grote fans van Hobbes, maar kwamen tot een compleet tegenovergestelde conclusie. Omdat er natuurrecht bestaat, is het juist essentieel dat zoveel mogelijk mensen deelnemen aan het bestuur van een staat. Rousseau vond dat dit een grote verantwoordelijkheid legde bij de burger. Die moest als hij ging stemmen écht een afweging maken waarbij hij het algemeen nut voor ogen hield, en niet alleen zijn eigen belangen.”

En toen kwam het tijdvak van de Atlantische Revoluties. In Amerika (1765-1783) liep dit goed af: er ontstond een vrije republiek. In Frankrijk (1789-1799) leidde de revolutie echter tot bloedige terreur en de opkomst van Napoleon, een militair dictator. Haalden de oude Griekse anti-democraten hier hun ultieme gelijk? Is dit uiteindelijk onvermijdelijk als iedereen wil meebeslissen over het lot van een land?

„Dat vind ik niet. We kunnen het erover eens zijn dat de Franse Revolutie is uitgelopen op een totale mislukking, maar die was niet onvermijdelijk, wat mij betreft. Zoveel verschilden de Amerikaanse en Franse Revoluties in wezen namelijk helemaal niet. Het ging mis in Frankrijk omdat er daar weinig ervaring was met zelfbestuur én omdat de jonge republiek meteen bedreigd werd door vijanden van buitenaf die de revolutie in de kiem wilden smoren. Dat leidde tot tirannie en geweld.”

Het verloop van de Franse Revolutie bracht in ieder geval een sterke reactie tegen de democratie op gang.

„Dat klopt. Met die backlash hebben we tot op de dag van vandaag te maken. Dat begon meteen in 1790 met Edmund Burke [1729-1797] en zijn Reflections on the Revolution in France en is daarna niet meer opgehouden. Conservatieven hebben de mislukking van de Franse Revolutie geïnstrumentaliseerd om democratisering te vertragen, helemaal toen het idee ontstond dat echte politieke vrijheid niet kan bestaan zonder een zekere economische gelijkheid. Het was voor hen onaanvaardbaar dat een overheid zo diep zou ingrijpen in wat zij zagen als hun fundamentele vrijheden: het kunnen beschikken over hun eigen bezit. De staat moest dus op afstand worden gehouden.

Je betoogt toch ook niet dat een wet die je verbiedt een ander mens te vermoorden, je berooft van je vrijheid?

„Dit negatieve vrijheidsbegrip heeft de afgelopen eeuw, mede dankzij de Koude Oorlog tegen het communisme, in het Westen compleet de overhand gekregen, zelfs bij linkse, progressieve mensen. Iemand als Berlin – die Labour stemde en een fan was van de New Deal van president Roosevelt – noemde het geven van economische zekerheid aan de lagere klassen een ‘noodzakelijk kwaad’. Hij was bang wat er zou gebeuren met de vrijheid als arbeiders massaal voor het marxisme zouden kiezen. Die ontwikkeling is inmiddels voltooid met de opkomst van het neoliberalisme van denkers als Friedrich Hayek en de aanvaarding van de Derde Weg door sociaal-democraten.”

En nu zitten we in een situatie waarin maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid als een vorm van tirannie worden gezien.

„Dat is het compleet rigide doortrekken van het principe van de negatieve vrijheid. Het is natuurlijk volstrekt onzinnig: je betoogt toch ook niet dat een wet die je verbiedt een ander mens te vermoorden, je berooft van je vrijheid? Het is noodzakelijk dat een staat democratische wetten maakt die ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen van zoveel mogelijk vrijheden kunnen genieten. Ik hoop dat mijn boek een aansporing is voor een herwaardering van die positieve vrijheid.”

Annelien de Dijn: Freedom: An Unruly History. Harvard University Press. 432 blz. €39,95

Correctie (13 augustus 2020): In een eerdere versie van dit artikel werd 1779 genoemd als sterfjaar van Edmund Burke. Hij overleed echter in 1797. Dat is hierboven aangepast.