Mijn vriendschap met Maarten Biesheuvel

Meer dan een halve eeuw geleden leerde Maarten ’t Hart Maarten Biesheuvel kennen. Hij vermoedde toen nog niet wat voor een groot en uniek talent hij voor zich had.
Eva en Maarten Biesheuvel in hun houten huisje Sunny Home in Leiden.

Eva en Maarten Biesheuvel in hun houten huisje Sunny Home in Leiden.

Foto Patricia Nauta

Dinsdag 21 juli jl. hebben Mensje van Keulen en ik Maarten Biesheuvel voor ’t laatst bezocht. Toen wij de woonkamer van Sunny Home in liepen, schrok ik me kapot. Hij lag te slapen, met zijn hoofd opzij en zag er verschrikkelijk uit. Die is al dood, dacht ik, maar hij ontwaakte en hij bleek zichtbaar tevreden dat de twee strijdmakkers die tegelijk met hem begin zeventiger jaren debuteerden, aan zijn ziekbed waren verschenen. Hij zag ons als een soort driemanschap, en tegelijkertijd zag hij Mensje en mij ook als zijn twee naaste concurrenten. Dus keer op keer stelde hij innig tevreden vast dat hij wél en wij niet de P.C. Hooftprijs hadden gekregen. Ik gunde hem die prijs van harte en hij heeft het geld goed besteed, hij kocht een graf voor Eva en hemzelf op de mooie kleine begraafplaats bij de Zijlpoort in Leiden. Daar is hij dinsdag ook naast Eva begraven.

Hij leefde helemaal op, die dinsdagmiddag van ons bezoek. Hij vroeg of ik het Largo van Händel voor hem op de piano wou spelen, en daarna speelde ik Les Barricades Mystérieuses en hij riep ‘Couperin’ en was enorm in zijn sas dat hij dat had geraden. We namen afscheid: ik zei vrolijk ‘Dag Maarten’, hij zei vrolijk ‘Dag Maarten’.

Vijfenvijftig jaar daarvoor zag ik hem voor het eerst op het college van Karel van het Reve. Hij verstoorde die colleges met rare opmerkingen en idiote vragen. Dat ergerde mij, maar Van het Reve ging altijd serieus in op wat Bies naar voren bracht. Later heeft Karel mij verteld dat hij blij was met die interrupties. Dan was hij niet zo snel door zijn collegestof heen en hoefde hij voor de volgende keer minder voor te bereiden.

In 1966, vlak voordat hij voor het eerst in Endegeest werd opgenomen, organiseerden Bies en ik een lezing van professor Kraus die in 1933 vanwege zijn stellingname tegen de isolationistische politiek van de VS ontslagen was bij het City College van New York en nog altijd rehabilitatie eiste. Liefde op het eerste gezicht was het bij die samenwerking bepaald niet. Ik vond Bies eigenwijs en onhebbelijk. Dat hij aspiraties had om schrijver te worden wist ik niet. Daar kwam ik pas achter toen hij met Eva op de Brahmslaan in Leiden woonde, op een steenworp afstand van onze flat op het Wagnerplein. Op die Brahmslaan woonden de Biezen naast Jan van de Craats, auteur van een prachtig boekje over de harmonieleer, De Fis van Euler. Met Jan was ik bevriend, en als Hanneke en ik Jan en zijn vrouw Ineke bezochten liepen wij op de galerijflat langs de flat van de Biezen. In de keuken die aan de galerij grensde was Eva dan vaak bezig, en met haar maakten we een praatje. Eva en Hanneke waren al lang daarvoor via Collegium Musicum bevriend met elkaar geraakt, dus in feite ben ik via Jan en Hanneke bevriend geraakt met de Biezen.

De eerste keer dat ik in de Brahmslaan bij Bies op bezoek was, wou hij mij een paar verhalen voorlezen. Hij deed een kast open en daaruit tuimelde een stortvloed van manuscripten omlaag. Hij greep een manuscript en las mij een verhaal over een aardbei voor dat nooit gepubliceerd is. Ik vond het bizar en vermoedde niet dat ik een uniek talent voor mij had. Pas bij de verschijning van In de bovenkooi ben ik een groot bewonderaar van zijn werk geworden. In dat fantastische debuut staan z’n allerbeste verhalen. In alle volgende bundels staan diverse magnifieke verhalen, maar zo’n samenballing van enkel maar meesterstukken vind je alleen in die bundel met zijn grandioze titel.

Stilgevallen

Wat reuze droevig is, is dat hij geleidelijk aan stil viel. Met lede ogen zag hij aan dat Mensje en ik rustig door schreven, maar dat er steeds minder uit zijn eigen handen kwam. De laatste dertig jaar van zijn leven heeft hij nauwelijks nog iets van belang gepubliceerd, ofschoon hij als je bij hem thuis kwam altijd opschepte over dikke romans en lange verhalen die hij onder handen had. Waarom hij is stil gevallen? Had ’t te maken met zijn bipolaire stoornis? Of was het, wat ik soms denk, het gevolg van over-medicatie. Hij werd zo volgepropt met pillen dat het een mirakel mag heten dat hij 81 is geworden. Hij moet wel een ijzeren gestel gehad hebben. Ik heb eens één keer een slaappil van hem geprobeerd en was drie dagen lang buiten westen. Eva stopte hem, naast wat hij allemaal al slikte, steevast ook flink wat extra pillen toe, en daar had ik zo m’n twijfels over.

Lees ook het dagboek van Mensje van Keulen over haar vriendschap met Biesheuvel: ‘Hij zei dat ik ook naar het gekkenhuis moet’

Eigenaardig is de mythe dat Bies en ik een paar jaar met elkaar gebrouilleerd zijn geweest. Daar was geen sprake van. Een tijd lang schrok ik ervoor terug om Sunny Home te bezoeken. Oorzaak: de hond Kippie. Als Kippie mij op de fiets aan zag komen verviel hij al tot blinde razernij. Eenmaal binnen werd ik besprongen en lukraak gebeten. Eva trok Kippie dan van mij af en verbande hem naar de keuken. Daar blafte hij oorverdovend, hetgeen conversatie in de woonkamer van Sunny Home vrijwel onmogelijk maakte. Na verloop van tijd vond Eva het steeds zieliger dat Kippie zo alleen in de keuken zat en dan liet ze hem weer binnen. Terstond stortte het dier zich dan andermaal bovenop mij. Dus met wonden, striemen en verse kwetsuren, om met de profeet Jesaja te spreken, verliet ik dan het sprookjesachtige houten huisje. Vandaar dat ik Sunny Home een tijdlang gemeden heb.

Verzot op begrafenissen

In de Volkskrant schreef Aleid Truijens: ‘Eva was zo geruststellend gewoon.’ Nou, dat was Eva bepaald niet, ze paste, juist ook qua gekte, erg goed bij Maarten. Ze was bijvoorbeeld verzot op begrafenissen en crematies. Als ’t enigszins kon probeerde ze ook de regie over uitvaarten te bemachtigen. Zelfs van mensen die ze nauwelijks kende.

Het mooiste verhaal over de Biezen komt van Jan van de Craats. In 1971 werd de volkstelling gehouden. Deed je niet mee, dan kwam er een ambtenaar aan de deur die de weigeraars alsnog probeerde over te halen mee te doen. Dus ook Eva en Maarten die de formulieren niet hadden ingevuld en opgestuurd kregen zo’n ambtenaar aan de deur.

‘Meneer,’ zei Eva, ‘wij willen niet meedoen.’

‘Maar waarom dan niet?’ vroeg de ambtenaar.

‘Omdat we niet met elkaar getrouwd zijn.’

‘Wat geeft dat nou,’ zei hij, ‘u leeft samen, nou, dat komt zoveel voor.’

‘Ja, maar mijn man is gek,’ zei Eva, ‘en we vinden het niet prettig als dat op één of andere manier wordt vastgelegd.’

‘Ach kom,’ zei de ambtenaar, ‘uw man gek? Dat valt toch wel mee. Die zit daar rustig te tikken.’

‘Leest u maar eens wat hij schrijft.’

De ambtenaar begaf zich naar het raam waarachter Biesheuvel tikte. Hij las een alinea uit het verhaal ‘De heer Mellenberg’.

‘Ja,’ zei hij tegen Eva, ‘ik begrijp nu wel dat meneer Biesheuvel niet geteld wil worden, want wat ik daar las… maar u, mevrouw Gütlich, waarom zou u niet…?’

‘Ik ben ook niet normaal.’ zei Eva en ze stak haar misvormde armpje en hand naar hem uit. De man deinsde terug en droop af.