Opinie

Subsidie is nu een druppel op een roodgloeiende plaat

Cultuursector

Commentaar

Er klinkt in Nederland een „luide roep” om een cultuursector die de veelkleurige bevolking beter weerspiegelt. Dat schrijft directeur Henriëtte Post in de inleiding van de maandag gepubliceerde subsidietoekenningen door het Fonds Podiumkunsten. Post koppelt dat inzicht aan de mondiale aandacht voor discriminatie. Het is tijd voor een „fundamentele reset”.

De reset die de cultuursector werkelijk boven het hoofd hangt, gaat verder dan alleen een omwenteling naar een meer multicultureel bestel. Voor vernieuwing krijg je moeiteloos de handen op elkaar. Geweldig dat de kwaliteit van, bijvoorbeeld, het Amsterdams Andalusisch Orkest nu gezien wordt, en ook gesteund. Een zucht van verlichting veroorzaakte de redding van kamerkoor Cappella Amsterdam, dat in een land met grofweg een miljoen koorzangers maar nipt aan de ondergang ontsnapte.

Maar de lijst met afvallers bij het Fonds is langer dan de lijst met gelukkigen. Pijnlijk zijn soms de lemma’s die onderbouwen waarom een theatergroep, jeugdgezelschap of muziekensemble op de ‘b-lijst’ belandde (wel een positief oordeel, toch geen subsidie). Diversiteit is daarin vaak synoniem aan multicultureel. Maar een representatieve cultuursector is meer dan alleen een multiculturele, het is er óók een met aandacht voor alle sociale achtergronden, smaken, leeftijden, gezindten en regio’s. Dat genres als jazz en improvisatiemuziek nu zwaar onder druk zijn komen te staan en het toch al cultuurluwe Zeeland een knauw krijgt door de bezuiniging op Productiehuis Zeeland, is in dat licht extra triest.

Hoe het Fonds met zijn ontoereikende budget wél had moeten handelen, is ingewikkeld. Niet alleen het Fonds zelf, ook de Nederlandse Associatie voor de Podiumkunsten drong al veel langer aan op herstel van de doorgevoerde korting van 8,6 miljoen op het budget. Een rekensom maakt duidelijk dat met zestien miljoen bovenop het huidige budget alle positieve oordelen in klinkende bijstand zouden kunnen worden omgezet.

De situatie lijkt op die in 2016, toen het Fonds, net als nu, zijn budget dubbel overvraagd zag. Maar een wezenlijk verschil is dat de komende jaren voor de culturele sector historisch nijpend worden.

PvdA-leider Lodewijk Asscher sprak eerder deze week van „subsidieverlening op de Titanic” en GroenLinks-Kamerlid Corinne Ellemeet wees erop dat op dit moment geen subsidie krijgen kan betekenen dat een gezelschap ook echt omvalt: inkomsten uit kaartverkoop zijn door de coronamaatregelen die het uitgaansleven goeddeels lam legden immers weggevallen. En wat geldt voor de podiumkunst, geldt ook voor musea. Zij kampen met gehalveerde bezoekersaantallen en inkomsten, ook dáár is de anderhalvemetersamenleving desastreus.

Augustus is normaal de maand van de Uitmarkt: startsein van een bruisend cultureel seizoen. Dit najaar zal een fractie van het normale aanbod te zien zijn voor maar een heel klein deel van het publiek. De toekenningen en afwijzingen van het fonds zijn wat dat betreft een druppel op een roodgloeiende plaat. Dat de culturele sector dit jaar 2,6 miljard euro misloopt is een alarmerend getal. Maar als het kabinet niet op korte termijn komt met een plan voor de lange termijn en een nieuw, solide steunpakket, is het bovendien de dubbele punt naar een voor onbepaalde tijd verarmde en verschraalde sector.