Hoe ‘gevaarlijk’ is het nu werkelijk om je in de buitenlucht onder de mensen te begeven?

Besmettingsrisico’s Wat weten we van coronabesmetting buiten? Het risico is binnen groter, weet de epidemioloog. Maar praktijkonderzoek is er niet veel. „Het is ongelooflijk ingewikkeld.”

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Nog rapper dan het aantal besmettingen stijgt deze dagen de temperatuur. Een kleine voorspelling voor het weekend: Nederlanders zullen en masse naar de stranden en parken trekken om verkoeling te zoeken en zich voor even tóch in het buitenland te wanen. Andere Nederlanders zullen hier foto’s van maken, die op sociale media posten en verbolgen teksten toevoegen over bijvoorbeeld het gebrek aan respect voor zorgverleners.

Al sinds het begin van de coronacrisis staan foto’s van volle parken en stranden symbool voor oplopende besmettingen; in de media worden ze ook steevast met elkaar in verband gebracht. Het Amerikaanse maandblad The Atlantic muntte begin juli de term ‘beach shaming’: het terechtwijzen van mensen die ondanks het virus gewoon op het strand gaan liggen.

Maar hoe ‘gevaarlijk’ is het nu werkelijk om je in de buitenlucht onder de mensen te begeven? Al in april stelden Chinese onderzoekers dat het gros van de coronabesmettingen binnen plaatsvindt. Van de uitbraken die zij onderzochten, vond er maar één in de buitenlucht plaats, in een gesprek op straat tussen twee mensen. Een Brits onderzoek dat begin mei de beschikbare literatuur onderzocht kwam grotendeels tot dezelfde conclusie. De meeste typen locaties waar de clusters ontstonden waren (in elk geval gedeeltelijk) binnen, op één na: er werden vier bouwplaatsen gevonden waar mensen besmet raakten.

Lees ook: Is er sprake van een tweede golf?

Inderdaad is het risico binnen groter dan buiten, zegt Patricia Bruijning, epidemioloog aan het UMC. „Het lijkt erop dat je best een aardige concentratie van het virus nodig hebt om tot een besmetting te komen. Daarvoor is langdurige intensieve blootstelling nodig. Als iemand naast jou in de buitenlucht zit, worden zijn aerosolen onmiddellijk verdund en afgedreven.” Het risico op een buitenbesmetting is groter als iemand „langdurig face to face met jou in gesprek is”, zegt Bruijning, of als je bijvoorbeeld samen met iemand intensief en op korte afstand aan het sporten bent. „Dus onder hele specifieke omstandigheden kan het zeker wel, maar de bijdrage van buitenbesmettingen aan de epidemie in z’n totaliteit is waarschijnlijk heel klein.”

Lastig vast te stellen

Maar, waarschuwt Bruijning, dit zegt ze voornamelijk op basis van de theorie. Naar de praktijk zijn namelijk nog weinig onderzoeken gedaan. Dat is logisch, want buitenbesmettingen zijn „ongelooflijk ingewikkeld om te onderzoeken”. „Er moet aan heel veel condities worden voldaan om met zekerheid te kunnen vaststellen of iemand in de buitenlucht is besmet, en dat lukt bijna nooit. Je moet zeker weten wie degene is die jou heeft besmet, en wat het moment van besmetting was. Als je met iemand binnen én buiten was, dan is dat al niet meer te zeggen.”

Idealiter stuit je als onderzoeker op een natuurlijk experiment, zegt Bruijning: je vindt een „hartstikke besmettelijk” persoon die eerst twee uur met mensen binnen heeft gezeten, en dan met andere mensen twee uur buiten. „Dat zou mooi zijn, maar ik heb er een hard hoofd in.”

Het staat wel vast dat besmettingen in de buitenlucht mogelijk zijn, vertelt Bruijning. „Er zijn een paar superspreading events in de buitenlucht geweest, bijvoorbeeld in stadions. Maar daar zitten mensen uren achtereen met dezelfde mensen om zich heen in een omgeving waar veel geschreeuwd wordt. En zo’n stadion is vaak ook half overkapt.”

Als bewijs dat buitenbesmettingen amper voorkomen, worden wel eens de Black Lives Matter-demonstraties van begin juni genoemd. Die leidden niet of nauwelijks tot nieuwe coronagevallen, meldden media twee weken later. Voor Nederland klopt dat waarschijnlijk, zegt Bruijning. „Er circuleerde hier toen heel weinig virus. Voor de VS durf ik niet te zeggen dat de demonstraties nergens toe hebben geleid. We hebben daarna in veel staten gezien dat het virus weer fors ging oplopen in de leeftijdsgroep die ook demonstreerde. Maar waar dat door kwam is niet systematisch onderzocht.”

Uiteindelijk speelt ook toeval een grote rol, zegt Bruijning. Het lijkt er nu op dat een klein deel van de mensen met corona zeer veel virus uitscheidt, terwijl het grootste deel amper besmettelijk is. Als dit klopt, is barbecueën met een coronapatiënt een soort Russische roulette: waarschijnlijk houd je er niks aan over, maar misschien ook wel.

Lees ook: Winkelend publiek draagt een mondkapje, demonstranten schreeuwen: 'Pleurt op met je muilkorf'

Aan de zonaanbidders van komend weekend adviseert Bruijning om drukke plekken te mijden. „En probeer overal zoveel mogelijk afstand te houden.” Mocht je bij het flaneren toch een keer rakelings een tegenligger passeren, dan is dat geen reden tot paniek: dat contact is waarschijnlijk te vluchtig voor een besmetting.

Betekent dat ook dat de mondkapjes in drukke winkelstraten geen zin hebben? Bruijning moet lachen, want elke wetenschapper die zich hierover uitspreekt „begeeft zich op glad ijs”. Mensen voorbijlopen is geen „hoogrisicocontact”, zegt ze, maar: „Als je maar genoeg mensen dag in dag uit in die winkelstraat heen en weer laat banjeren… het is ook een numbers game. De kans dat er zonder kapje iets bij jou gebeurt is klein, maar als iedereen een kapje draagt zal er ergens wel iets tegengehouden worden.” Maar, benadrukt ze, met een kapje alleen druk je een epidemie niet de kop in. Daarvoor blijft toch vooral afstand nodig – binnen, maar ook buiten.