Foto Bram Petraeus

Interview

‘Mensen houden van wuivend graan’

Tafelmanieren Wat er op het bord ligt, zegt iets over hoe we in het leven staan. In deze aflevering: Jan van den Brink en Michiel Korthals beheren oude gewassen. „Je kunt Laren er niet mee voeden. En toch heeft het betekenis.”

Als je via de Leemzeulder aankomt in Laren (NH) stuit je, half juli, bij de Veldweg op een landje met uitbundig groeiend graan. Eromheen kapitale villa’s met rieten kappen. Nergens in Nederland zijn de vierkantemeterprijzen hoger dan in Laren.

Het is nauwelijks voor te stellen dat het hier tot vlak na de Tweede Wereldoorlog nog armoe troef was. Met boerderijen rond de kerk en gemeenschappelijke akkers en weiden buiten het dorp. De laatste boer is decennia geleden al verdwenen uit Laren. Dit veldje laat nog iets zien van het oude boerendorp dat het ooit was. ‘Laarder Enghrestant. In beheer bij Stichting Oude Landbouwgewassen Laren. Op de akker groeit: Sint Jansrogge’, meldt een bordje.

„Tot 26 jaar geleden groeide er snijmaïs voor het vee, in de zomer zaten de omwonenden tegen een groene muur aan te kijken.” Dat zegt Michiel Korthals, hij woont op loopafstand van het veldje en hij zit aan tafel met Jan van den Brink. Korthals is emeritus hoogleraar voedselfilosofie. Van den Brink – een typisch Larense achternaam – studeerde ooit plantenziektekunde in Wageningen, maar maakte er niet zijn beroep van. Hij stapte na zijn studie in het familiebedrijf. Samen zitten ze in het bestuur van de stichting op dat bordje.

Korthals heeft brood gebakken. Karnemelkbrood van Sint Jansrogge, gemengd met wat tarwebloem, want in rogge zit weinig gluten. „Armeluisbrood”, zegt Korthals, „ongelooflijk makkelijk om te maken.” Ernaast ligt nog een bruine bol. Gisteren meegenomen uit Renkum, waar Veluws kruiprogge wordt verbouwd door een project dat Graangeluk heet. Daar zit Korthals ook in de stichting. Maar nu gaat het over Laren.

Alles wat op tafel staat komt uit Laren. Larens Blond-bier, van gerst, en een tripel van triticale. „Dat is een kruising tussen tarwe en rogge, dat maakt het een sterker ras dan tarwe”, zegt Van den Brink. Verder nog mosterd en dressing van Larens mosterdzaad en honing van Larense bijen. „Het bier, duizend flesjes dit jaar, is al uitverkocht”, zegt Van den Brink.

Het lijkt nogal een hipsterbedoening, bierbrouwen, of laten brouwen, van je eigen granen. Maar dit begon allemaal al toen de hipsters nog in de box zaten.

1994. Van den Brink had zijn oog laten vallen op het stukje grond aan de Veldweg. „Gewoon een akkertje om een beetje boer te zijn”, dat leek hem leuk. „Ik heb altijd iets groens in mijn bloed gehad.” Het duurde even voordat de boer zich liet uitkopen. Maar uiteindelijk kreeg de gemeente het in bezit en voor één symbolische gulden deed die het over aan het Goois Natuurreservaat die het vervolgens onderbracht bij de Stichting Oude Landbouwgewassen Laren. Van den Brink was een van de oprichters.

Niet te vergelijken met de moestuin

Al snel na de verwerving van die eerste ‘eng’, zoals een stukje landbouwgrond vroeger heette, kwamen er particulieren naar de stichting. Of zij zich niet om hun grond wilden bekommeren. En ook het Goois Natuurreservaat gaf steeds meer oude landbouwgrond in beheer. Nu, in 2020, heeft de stichting zestien akkers onder haar hoede, twaalf hectare bij elkaar. „Als confetti verspreid over het dorp”, zegt Van den Brink. Met behalve granen ook nog boekweit, mosterdzaad en aardappelen.

Het is niet te vergelijken met een moestuin, vertellen ze. Hoewel het maar kleine akkers zijn, red je het niet met groene vingers. Het wieden van onkruid, het ‘aanaarden’ – het ophogen van de grond rond aardappelplanten – het rooien en rapen van de aardappelen; dat doen ze zelf, met hun donateurs. Maar ploegen, zaaien en dorsen, daar zijn landbouwmachines voor nodig en professionele loonwerkers. Die huren ze in. Dat maakt het ook een dure aangelegenheid. Zonder inkomsten uit donaties en de verkoop van producten zou het onbetaalbaar zijn.

Wat ze in Laren doen, lijkt naadloos te passen bij een trend: zelf je voedsel verbouwen, lokale en vergeten gewassen telen en er dan mooie ambachtelijke producten van maken die je in je eigen omgeving verkoopt. Maar toen Van den Brink ermee begon, speelde dat nog helemaal niet. „Het draaide in eerste instantie om productie. Daarna werd het visuele belangrijker”, zegt Van den Brink. „Wuivend graan en bloeiende akkerranden, dat vinden de mensen mooi”, zegt Korthals. „Ja. En daarna kwam pas de ecologie erbij”, zegt Van den Brink. Niet spuiten tegen insecten en schimmels, nauwelijks chemische onkruidbestrijding. Geen kunstmest. Zorg voor biodiversiteit, in de bodem en erboven.

Bijzonder graan

Een mooi plaatje blijkt prima samen te gaan met die ecologische doelen. Tussen het graan bloeien nu korenbloemen. En het driekleurig viooltje trekt de kleine parelmoervlinder aan. Nee, de opbrengst is niet wat die in de gangbare akkerbouw is. „Daar halen ze wel tien, twaalf ton graan per hectare. Wij zitten op twee of drie ton.” Alles bij elkaar zo’n 25.000 kilo graan per jaar.

Bijzonder graan, dat wel. Van den Brink wijst op de etiketten van het bier en de mosterd. Daar staat de Larense basiliek op met de naam van de beschermheilige van het dorp: Sint Jan. Vijftien jaar geleden ontdekte Van den Brink dat op Ameland Sint Jansrogge geteeld werd. Of dat in Laren zou werken, betwijfelde hij. Toch schafte hij „voor veel geld” een beetje zaad aan. Het bleek wonderwel aan te slaan in Laren. En anders dan in de reguliere akkerbouw kunnen ze bij deze oude granen uit de oogst van het ene jaar het zaad voor volgend jaar halen.

Foto Bram Petraeus
Foto Bram Petraeus
Foto Bram Petraeus
Foto’s Bram Petraeus

„Je kunt zeggen: het is allemaal wel heel marginaal”, zegt Korthals. „En dat is het ook”, rekent hij voor. Voor een brood heb je ongeveer 400 gram meel nodig, dat is 500 gram onbewerkte graan. Twee broden uit een kilo, dus 4.000 broden van een hectare. „Je kunt Laren er niet mee voeden. En toch heeft het betekenis.”

Die zestien kleine akkertjes vertellen niet alleen iets over de geschiedenis van het dorp, ze vertellen indirect ook het verhaal over onze voedselvoorziening, die zo ver van ons bord is geraakt dat je bijna zou vergeten hoeveel er nodig is voor zoiets simpels als een brood. De akkers van de stichting zijn de spin in het web van burgers, donateurs en kleine bedrijfjes die er allemaal iets mee hebben. „Dat zie je elk jaar eind augustus op het oogstfeest”, zegt Korthals. „De pastoor, de burgemeester, inwoners van Laren, iedereen is betrokken.”

Elk jaar maken de bestuursleden een bouwplan. Korthals: „Niet alleen: kiezen we spelt of rogge? Maar ook: wat doen we ermee? Hoe kunnen we het verwaarden? Wie kan er wat van maken? Je moet aan de hele keten denken.”

Een bestemming vinden

Er is in Laren nog een molen. Een van de weinige in de omgeving die nog draait. Met het meel gaan ze naar bakker Van Vessem in Haarlem, die vindt het leuk om met meel dat misschien niet aan de standaard voldoet, brood te bakken. De Gooische Bierbrouwerij in Hilversum brouwt bier, een ander bedrijfje, Gooische Marke, maakt mosterd en dressing. „En dan moet je nog afzetkanalen zien te vinden. De horeca wil best onze mosterd bij de bitterballen doen, maar als een portie bitterballen dan twee keer zo duur wordt, is het commercieel gewoon niet haalbaar.”

Het herinnert Korthals eraan dat hij nog geen bestemming heeft gevonden voor de boekweit dit jaar. „Als het niet lukt, gaat het naar de dieren. Maar het liefst wil je dat het voedsel voor mensen wordt.”

Foto Bram Petraeus

Ga je, als je jaar in jaar uit met die akkers bezig bent, op den duur nu zelf ook anders eten? En wat is ‘goed eten’ eigenlijk voor Korthals en Van den Brink? Korthals heeft aan die vraag een dik boek gewijd. Hij beschrijft daarin hoever we zijn afgedreven van de productie van ons voedsel. Een goede maaltijd, vindt hij, is een maaltijd waarover je hebt nagedacht, met ingrediënten waarvan je de herkomst kent.

Lees ook: Een radicaal andere landbouw zou de boeren kunnen redden

Van den Brink is meer een doener. Hij houdt al vijftig jaar bijen, heeft een grote moestuin waar hij vandaag nog even vijftig preiplanten in gezet heeft. Bijna het jaar rond eet hij groenten uit eigen kas. Het lijkt voor hem geen vraag waarom hij zoveel mogelijk zijn eigen voedsel eet. Hij heeft er plezier in, dit is wat hij doet.

We nemen nog snel een hap van de sla uit de tuin van Korthals, en lopen dan naar het veldje om de hoek. De Sint Jansrogge staat anderhalve meter hoog. Van den Brink laat een aar zien die langer is dan van andere granen, maar ongeveer evenveel korrels geeft. Hij deelt er een paar uit en bijt erop. „Je kunt er nog doorheen. Hij moet zo hard zijn dat je ’m niet meer doorbijt.” Geen regen en wat wind, zodat het graan goed droogt, dat zou mooi zijn. „Over een week is het goed. Dan kan er geoogst worden.”