Recensie

Recensie Boeken

Hoe te ontkomen aan een grillige, nukkige, Scandinavische moeder

Tove Ditlevsen In het eerste deel van haar memoir-reeks ontleedt deze grote Deense schrijver vroege herinneringen, vol armoede en angst. En ze gaat in op een vriendschap, die haar losweekt van familie.

Kinderen spelen op het strand in het late victoriaanse of vroege edwardiaanse tijdperk.
Kinderen spelen op het strand in het late victoriaanse of vroege edwardiaanse tijdperk.

Tove Ditlevsen (1917-1976), een hervonden grote Deense schrijver, opent Kindertijd zo: ‘’s Ochtends was er hoop.’ Het is het eerste deel van de Kopenhagen-trilogie, haar memoir-reeks die nu in vertaling is verschenen. Dit eerste deel beslaat de periode uit de titel, de komende maanden volgen de vertalingen van Jeugd en Afhankelijkheid.

In het eerste hoofdstuk schetst ze hoe de dag begint als ze opstaat met haar moeder. Je kunt stellen dat het hele boekje erin ligt samengebald. Eerst is er de stilte en de verwachting. De dag is nog heel, álles is nog heel. Verbinding met haar moeder lijkt mogelijk. Ze verlangt naar haar. Onherroepelijk barsten de stilte en de dag open en beginnen de complicaties van levende mensen. De grilligheid van de moeder, de onbegrijpelijke nukkigheid, die opkomt zoals ook kleinzieligheid opkomt: raadselachtig.

Een auteur als Ditlevsen kan die tóch herleiden. Scherp ontleedt ze haar herinneringen, die vol armoede en angst zijn, en haar afhankelijkheid. Waarbij het geenszins helpt als vrouw te zijn geboren. In haar scherpe observatievermogen schuilt de lichtheid, in de afstand het zelfbehoud.

Dievegge

In het socialistische milieu waarin ze opgroeit, na de Eerste Wereldoorlog, is de liefde die ze opdoet voor God vreemd. Deze liefde is verbonden met de liefde voor taal, wat haar scheidt van haar gezinsleden. In de kern is Kindertijd dan ook een ontstaansgeschiedenis van een schrijver, een portret van de kunstenaar als jong kind. ‘Het is alsof God langzaam Zijn milde gezicht dichterbij de aarde brengt en Zijn grote hart rustig en vredig klopt, heel dicht tegen het mijne. Ik voel me heel gelukkig en lange, droevige dichtregels vormen zich in mijn hoofd. Ze vormen een barrière, zonder dat ik het wil, tussen mij en de mensen die me na aan het hart zouden moeten liggen.’

Haar eerste ervaringen met echte vriendschap maken haar verder los van de familie: ‘Nu heb ik een vriendinnetje en daardoor ben ik veel minder afhankelijk van mijn moeder, die natuurlijk niets moet hebben van Ruth.’ Zij legt een bewonderenswaardige onverstoorbaarheid aan de dag. Ze is een watervlug en vrolijk dievegge, die alles durft. ‘Al die tijd dat we bevriend zijn ben ik bang dat ik mezelf in Ruths bijzijn verraad. [...] Ik verander mezelf in een echo van haar, omdat ik van haar houd en omdat ze de sterkste is, maar diep vanbinnen ben ik nog steeds mezelf.’

Ook in haar wens te schrijven knelt de kindertijd. Maar met een droef en klaar werkelijkheidsbesef tekent Ditlevsen de omslag op, van het willen achterlaten van de kindertijd, naar het besef dat de volwassen wereld zaken van haar vraagt die ze niet bereid is te volbrengen. Een baantje als dienstmeisje, of trouwen met iemand die haar ouders goedkeuren. ‘De toekomst is een monsterlijke aanjagende reus die binnenkort om zal vallen en mij zal verpulveren. Mijn rafelige kindertijd wappert om me heen.’ Zoals in die eerste scène: ze verlangt naar de moeder, maar de werkelijkheid van de moeder dwingt haar tot vechten, vraagt iets van haar dat haar schendt. Waar kun je dan zijn? Het antwoord van Ditlevsen op deze vraag is: in dat wat je verzint, in de dichtregels, de kunst.