‘Het was heerlijk, maar heimwee? Het is voorbij, klaar’

Over Indië De laatste Nederlandse ooggetuigen vertellen over het leven in de kolonie. Deze week: Julius Ernst (1922, Meester Cornelis).
Foto Frank Ruiter

‘Toen ik kind was, hebben we op verschillende plekken gewoond. In Ambon waren we omdat mijn vader, die geweermaker was bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, telkens voor een paar weken naar Nieuw-Guinea moest om geweren te repareren. Ik ging naar de Nederlandse school met allemaal Europese kinderen [sinds 1920 was de samenleving wettelijk onderverdeeld in Europeanen, Inlanders en vreemde Oosterlingen, red.]. En eventueel, als ze goed Nederlands spraken, ook Ambonese kinderen. Gewoon. Alles gemengd, ook jongens en meisjes. Indonesiërs noemden we nog ‘inhemers’. Dus Javanen, Menadonezen enzovoorts. Wij kinderen maakten geen onderscheid.

Later verhuisden we naar Bandoeng, het regeringscentrum, waar ik op de katholieke jongensschool zat. Bandoeng lag wat hoger, was daardoor wat koeler dan Batavia, de hoofdstad. School was van half acht tot een uur. Dan werd het te warm.

We gingen ’s middags spelen. Volwassenen gingen een middagslaapje doen. Bij ons waren altijd dertien, veertien vriendjes. We hadden zo’n grote voorgalerij, daar speelden we, gewoon op de grond op matten. Bij ons was het altijd druk. Aan de achterkant waren de bijgebouwen. Slaapkamers, badkamers, en kamers van de bedienden. We hadden eerst twee bediendes, baboes, en een jongen. Die hielp in de tuin, de slaapkamers en de keuken. De namen van de baboes weet ik niet meer. Meestal riep ik gewoon: ‘Boe!’ Een baboe voor de keuken, de andere hielp in de huiskamer en met de kinderen. Later hadden we niet meer zo’n grote tuin, toen hadden we maar één bediende nodig, klaar.

Mijn vader is op een zeker moment in 1935 van mijn moeder gescheiden. Hij ging bij een Indische vrouw wonen. Mijn drie broers kozen ervoor om met mijn vader mee te gaan, ik bleef met mijn drie zussen bij mijn moeder. Toen ik wat ouder was, ging ik met vrienden na school met de meisjes van de Maria-school buiten de stad zwemmen in de rivier. Allemaal heel netjes, hoor, met de broek aan. Daar is nooit wat gebeurd. We aten vruchten, zo van de boom. Voor school nog even snel bij de waroeng [eettentje] voor tweeënenhalve cent twee porties soto [soep] eten. Dansen op Hawaïaanse muziek bij huisfuifjes. En ik ben ook met vrienden een keer in een paar dagen naar Batavia gefietst. Tegen de avond klopten we dan aan bij een dorpshoofd. Die vond het een eer Hollanders onderdak te bieden. En dan gaf je een pakje sigaretten en wat geld als dank. Klaar.

Toen ik 17 was, ging ik in militaire dienst. In de oorlog met Japan werd ik krijgsgevangene en moest ik dwangarbeid doen aan de Birmaspoorweg. Toen Japan had gecapituleerd hoorde ik via via van de Bersiap. De gruwelijke moordpartijen door jonge Indonesiërs op Europeanen, Chinezen, Molukkers. Ons huis is verbrand. Mijn moeder en zusters zijn maar net ontsnapt. We waren woedend. Maar de Britten lieten ons nog niet toe op Java. Anders hadden we de boel kort en klein geslagen. Uiteindelijk heb ik bij de genietroepen gediend in Noord-Sumatra en Java. Dat ging vooral om het repareren van bruggen. Na de soevereiniteitsoverdracht ben ik met mijn eerste vrouw naar Nederland gegaan. Mijn moeder ging ook. Twee zussen bleven. Mijn vader ook. Hij vond Nederland te koud.

Ik ben nog wel eens op vakantie geweest op Bali. Een paar jaar geleden. Java heb ik nooit meer teruggezien. Heimwee? Nee, waarom? Het is toch voorbij?”