Recensie

Recensie Boeken

23 bizarre verhalen van een creatief meesterbrein

Etgar Keret De nieuwe verhalen van deze Israëlische schrijver zijn heerlijk en bizar, soms ingetogen, soms duister. (●●●●)

Etgar Keret (Tel Aviv, 1967) is een creatief meesterbrein; hij is filmmaker, schrijft kinderboeken, geprezen memoires in verhalen (Zeven vette jaren, 2014) en samen met illustratoren ook graphic novels. De constante in zijn vertakkende oeuvre zijn korte verhalen. Mijn konijn van vaderskant is zijn recentste bundel, en bevat 23 verhalen die veelal heerlijk zijn en niet zelden nogal bizar.

Een van de interessantste is ‘Pineapple crush’ – dat is een wietsoort, en wel een waarvan de eerste hijs ‘je wereld kleur geeft’. Een man rookt iedere dag na zijn werk een joint bij zonsondergang. In zijn leven gaat, met dank aan zijn onvermogen, van alles mis (een lot dat hij overigens met het overgrote deel van Kerets personages deelt). ‘Het leven is als een lelijk laag tafeltje dat de vorige bewoners in je huis hebben achtergelaten in de woonkamer’, verzucht hij vol gelaten tragiek: ‘Niets kan het laten verdwijnen, behalve de dood.’

Overdag helpt hij zich steeds verder in de penarie door bijvoorbeeld de kinderen die hij op de buitenschoolse opvang begeleidt te treiteren, maar het roken bij zonsondergang is een rustpunt – en wordt dat nog meer als hij gezelschap krijgt van een treurige mooie vrouw.

Knokken

Het is een tamelijk ingetogen verhaal, hoewel het bij Keret nooit helemaal kan kabbelen; natuurlijk wordt het knokken op de buitenschoolse opvang, uiteraard vliegt er iets in de fik. Maar toch: dit verhaal lijkt als premisse iets als verwondering te hebben. Wie is die vrouw? Hoe kan het dat die eenzame roker met niemand echt contact lijkt te kunnen hebben, behalve met haar? Het lijkt op een mooi uitgesponnen toevallige ontmoeting die we allemaal misschien wel kennen; het praatje met een vreemde die in een ander leven een vriend had kunnen zijn.

Aan de andere kant van het spectrum is er het bijzonder duistere verhaal ‘Vensters’, waarin een man met geheugenverlies opgesloten zit in een dichte kamer waar vensters op worden geprojecteerd. Of het verhaal ‘Tabula Rasa’, waarin geredde kinderen die heel snel verouderen in een soort weeshuis worden klaargestoomd voor ‘een zelfstandig, schrikwekkend kort leven in de buitenwereld.’ Ook weer gitzwart.

Vakmanschap

Wat de verhalen overeenkomstig hebben is dat ze toewerken naar vrij verbazende plotwendingen. Dat kan ergerlijk werken, de hele tijd maar op een ‘clou’ moeten wachten, als bij het aanhoren van een te lange mop. Niet bij Keret, want hij weet van wat louter een aanloop had kunnen zijn een interessante leeservaring te maken. Alleen al het feit dat de jongen uit ‘Tabula Rasa’ meteen aangeeft dat hij de man die hem heeft gered haat, zet je op scherp.

Soms gaat het anders. Het slotverhaal ‘De evolutie van een afscheid’ opent met een waanzinnig staaltje vakmanschap waarmee Keret de gehele evolutie van de mens met het lot van een individu verbindt. Echt virtuoos. Helaas loopt het verhaal nogal pruttelend leeg, door – wel weer knap gedaan – de verteller te wijzen op het feit dat hij vertelt. Zoals er eerder in de bundel ook een schrijver aan het woord is die een verhaal over een vriend probeert te schrijven. Slim geschreven, maar het doet als een kunstje aan. Al kun je niet ontkennen dat Etgar Keret dit kunstje, deze kunst, tot in de puntjes beheerst.