Recensie

Recensie Boeken

Waarom deze schrijver afzag van het grote geld, een eigen woning of een relatie

Klassieker De Egyptische schrijver Albert Cossery deed het liefst niets. Ervoer hij zijn passiviteit werkelijk als een deugd, vraagt zich af. Of wortelde die in angst?

Siraag, zo leren we in het openingshoofdstuk van De luiaards in de vruchtbare vallei uit 1948, is een bijzonder gevoelige jongen. Hij zit in een berm naast een maïsveld te kijken naar een jongetje van een jaar of tien dat met een katapult probeert een vogel af te schieten. Siraag weet niet waar hij het zoeken moet. Hij barst in tranen uit, ‘overvallen door een dodelijke angst’ bijt hij op zijn tanden om het niet uit te schreeuwen, hij moet ervan overgeven, zijn ledematen raken verlamd van ‘een verbijsterende schrik’.

Dat het aanschouwen van de levensdrift van dat joch voor Siraag zo’n ‘eindeloze foltering’ is, komt doordat hij zelf van een beduidend minder geestdriftig slag mensen afstamt. Hij woont met zijn vader, zijn oom en zijn twee broers in een villa in een voorstad van Caïro, waar de mannen weinig anders doen dan slapen. Hun seksuele behoeften botvieren ze op Hoda, de jonge huishoudster, die ook zorgt voor het eten. Verder komen vrouwen het huis niet in, want zoiets ‘zou de toestand van slaap die er al een eeuwigheid heerste helemaal overhoopgooien’. De castratieangst die vermoedelijk aan die vrouwvijandige attitude ten grondslag ligt, vormt de kern van de knappe verfilming van het boek, Oi tembelides tis eforis koiladas (1978), door de Griekse cineast Nikos Panayotopoulos.

Het moge duidelijk zijn dat de Egyptische schrijver Albert Cossery (1913-2008) niet vies was van het stijlmiddel van de overdrijving. Middels dit gezin van lethargisch manvolk zet hij zijn gedachten over passiviteit uiteen, een levenshouding die ook de schrijver zelf niet vreemd was. In een interview met het Zwitserse RTS vertelde Cossery dat hij het merendeel van zijn tijd besteedde aan ‘lucide nietsdoen’. Dat was een bewuste keuze: volgens de auteur was reflecteren op het leven de meest zinvolle tijdsbesteding. Waarom hij maar zeven romans voltooide? Omdat er tijd nodig is om na te denken over een geslaagde formulering; schrijvers die aan de lopende band boeken uitbrengen publiceren enkel inhoudsloze flutromannetjes. Waarom hij in een hotel woonde? Omdat hij zijn tijd aan nadenken wilde besteden, niet aan het fixen van een gesprongen lampje.

Slapen en eten

Gedurende het grootste deel van zijn leven woonde Cossery in een eenvoudige hotelkamer in het centrum van Parijs. Albert Camus was een van zijn beste vrienden. In het RTS-interview toont ook Cossery zich een pleitbezorger van het existentialisme. Hij streeft individuele vrijheid na, en om werkelijk vrij te kunnen zijn dient een mens zich, aldus Cossery, allereerst te distantiëren van ‘het systeem’, dat door machthebbers is ingericht ter africhting van de massa. Cossery zag af van ijdele ambitie, van het grote geld, van een eigen woning, van een relatie – allemaal om te voorkomen dat het systeem hem in de greep kon krijgen. Hij spreekt overtuigend, geamuseerd, geen greintje onzekerheid of wroeging is er in zijn uitspraken over zijn zelfverkozen onthechting te bespeuren. Vertaalster Mirjam de Veth baseert zich op dergelijke uitingen van de schrijver als ze in haar nawoord stelt dat je Cossery’s werk zou kunnen typeren als ‘een pleidooi voor lucide nietsdoen’. Maar in mijn ogen geeft De luiaards in de vruchtbare vallei ook een heel andere kant van de schrijver prijs.

De drie broers vertegenwoordigen drie drijfveren voor een passieve levenshouding. Voor Galaal, de oudste, die al zeven jaar vrijwel onafgebroken in bed ligt (hij komt er alleen af en toe uit om iets te eten) is het slapen een vanzelfsprekendheid. Het komt niet in zijn hoofd op dat je je leven ook anders in zou kunnen willen richten. Rafiek, de tweede, lijkt nog het meest op Cossery, zoals die zich presenteerde in de interviews: hij ‘had de slaap gekozen als toevluchtsoord’. Als enige van het stel kent Rafiek de buitenwereld: hij heeft gestudeerd, hij heeft een relatie gehad, hij heeft armoede gezien, hij was er tijdens zijn opleiding tot ingenieur getuige van hoe de geest van arbeiders afgestompt raakte door de plicht mee te draaien in een door machthebbers gedirigeerd, corrupt systeem. Het heeft hem doen besluiten zich van de buitenwereld af te keren.

Rouw en depressie storten een jonge vrouw in een leeg bestaan vol medicijnen. Lees ook: Ze is blond, dun, mooi en voorlopig in winterslaap

En tenslotte is er dus Siraag, met wie het boek opent. Een jongen tussen twee werelden; je zou hem een Egyptische Hamlet kunnen noemen. In tegenstelling tot zijn broers walgt Siraag van de apathie die het huis in zijn macht heeft: ‘[de] sfeer van ontzagwekkende onverschilligheid waarin zijn familie leefde vergiftigde hem iedere dag meer.’ Hij zegt te willen werken. Hij wil naar de stad. Maar hoewel de jongen niets in de weg staat om te vertrekken, vindt hij zichzelf toch telkens weer terug in zijn bed, alsof hij ‘met onzichtbare banden’ zit vastgeklonken aan het lot waaraan hij probeert te ontkomen. Siraags passiviteit is geen vorm van activisme, zoals voor Rafiek, en evenmin is het luiheid. Hij bevindt zich in een patstelling.

Roes

Zijn of niet zijn, dat is (ook hier) de vraag. Waarlijk deelnemen aan het leven is een riskante bedoening, waarbij onvermijdelijk afwijzing, afkeuring, kwetsuur, mislukking en verlies komen kijken. De mannen in deze roman slapen vanuit de wens zich aan de gevaren die het leven met zich meebrengt te onttrekken. De roestoestand waar ze, al dan niet doelbewust, voor opteren, is een vorm van niet-zijn, van dood zijn; niet voor niets vergelijkt Cossery het huis ergens met ‘een kerkhof’, de mannen met ‘lijken’. Het boek handelt over de universele wens de controle los te laten en terug te keren naar een staat van ultieme veiligheid, naar de baarmoeder zo u wenst – en tegelijkertijd behandelt het ook de keerzijde van die wens. Cossery toont hoe je je door te vluchten voor de risico’s van het leven (de liefde incluis), onvermijdelijk ook afwendt van het leven zelf.

Cossery’s boeken spelen zich allemaal in Egypte af, waar de auteur zijn jeugd doorbracht. Meermaals komt ook inhoudelijk de nostalgie naar de kindertijd naar voren; die ‘ijverige jeugdjaren’ waarin de toekomst er nog ‘stralend en veelbelovend’ uitzag. Met al zijn personages drijft Cossery de spot, behalve met kinderen. Die zijn zonder uitzondering wijs, levenslustig, verstoken van huichelarij. Het joch met zijn katapult uit de openingsscène komt op Siraag over ‘alsof [hij] het gewicht van de wereld op zijn schouders torste en zich er tegelijkertijd met een vreemd gevoel van luchthartigheid tegen teweerstelde’. Het is een dappere levenshouding, die niet alleen Siraag, maar ook de schrijver lijkt te benijden.

Cossery’s teksten waren zeer persoonlijk, daar maakte hij geen geheim van. Via een omweg gingen ze altijd over hemzelf. De luiaards in de vruchtbare vallei deed bij mij dan ook het vermoeden rijzen dat Cossery’s ascetische levensstijl waarschijnlijk niet alleen voortkwam uit zijn weigering zich te conformeren aan corrupte machtsstructuren, maar ook, en misschien wel vooral, uit angst zich aan het woelige leven te bezeren. Via Siraag laat Cossery zien dat onthechting niet alleen een gelukzalig gevoel van controle en veiligheid, maar ook een zekere onvervuldheid met zich meebrengt. In die zin zou je De luiaards van de vruchtbare vallei, ondanks het harnas van de uitvergroting, een onthullende roman kunnen noemen. Want meer dan over de deugdzame eigenschappen van het ‘lucide nietsdoen’, gaat dit boek in mijn ervaring over het spanningsveld tussen de hunkering enerzijds en de huivering anderzijds om zich onbezonnen in het gevaarlijke leven te storten. Als een kind.