Opinie

Biesheuvel heeft het eeuwige leven

Michel Krielaars

De beste schrijver die ik ken is Anton Tsjechov. Ik ontdekte hem op de middelbare school mede dankzij Maarten Biesheuvel, die het vaak over hem had en Tsjechov soms bewust of onbewust op een originele manier imiteerde. Zo kun je zijn verhaal ‘De bruid’ een Limburgse variatie noemen op Tsjechovs gelijknamige verhaal.

Inmiddels is Tsjechov al weer 116 jaar dood en Biesheuvel net een week. En omdat ik Tsjechov regelmatig herlees, doe ik dat nu ook met Biesheuvel, al was het maar om weer de opwinding te voelen die ik als scholier had als er weer een nieuw boek van hem was verschenen. Soms rende ik dan nog vlak voor sluitingstijd naar boekhandel Favié in de Rijnstraat in Amsterdam om een gebonden eerste druk te kopen en die nog diezelfde avond op mijn kamer uit te lezen, bij het schaarse licht van net zo’n bureaulamp als Biesheuvel had.

Sinds zijn overlijden besef ik dat ik behoorlijk door zijn literaire smaak ben beïnvloed. Zo vond ik afgelopen dagen op internet een briefje waarin hij aan een lezer zijn favoriete schrijvers noemt: Melville, Kafka, Kenneth Grahame, Bruno Schulz, Toergenjev, Tsjechov, Tolstoj, Gogol, Lermontov, Nabokov, Voltaire, Elsschot, B. Traven, Joseph Conrad, Jerzy Lec, Hans Christian Andersen, Kurban Said, Sartre, Gerard en Karel van het Reve. Hij eindigt dat briefje met de boodschap ‘Alles voor De Lach, De Blijdschap, De Wijsheid en De Troost.’ Beter kun je de betekenis van literatuur niet samenvatten. Meer dan die vier gemoedstoestanden heb je volgens mij niet nodig om het vol te kunnen houden in het aardse bestaan.

Ook in zijn verhaal ‘Reis door mijn kamer’ uit de gelijknamige bundel uit 1984 heeft Biesheuvel het over die handvol schrijvers. Het zijn er zo’n twintig en hij herlas ze keer op keer. Zo schrijft hij: ‘Ik ben geen alleseter, het leven duurt kort, in een restaurant eet je ook niet op één avond en gans, en kalkoen, en garnalen, en vis, en vlees, en kaasfondue, en patat met een gehaktbal, en een loempia speciaal. Ik vind het volstrekt belachelijk om duizenden schrijvers tijdens je leven gelezen te hebben. Ik ken ongeveer twintig schrijvers en ben daar dolgelukkig mee.’ Nabokov is zijn absolute favoriet, Tsjechov staat op de tweede en Bruno Schulz op de derde plaats. Ook beweert hij dat je pas weet hoe een boek echt geschreven is als je het minstens vijftienmaal gelezen hebt. Menig literatuurcriticus kan er een voorbeeld aan nemen als er geen deadline zou bestaan, die je vaak nauwelijks tijd gunt voor een tweede lezing.

Engelsen en Amerikanen las Biesheuvel niet. Des te meer hield hij van Flaubert. Terwijl hij in Philip Roth, Bernard Malamud en Saul Bellow toch geestverwanten had kunnen vinden.

Eigenlijk is ‘Reis door mijn kamer’ Biesheuvels autobiografie. Zijn bizarre logica en existentiële eenzaamheid, zijn jeugd, zijn ouders, Eva, zijn schrijvende tante tante Jacoba M. Vreugdenhil, zijn angsten, paniek en doodsdrift, zijn obsessies en verlangens, zijn verliefdheid op Marilyn Monroe komen in dat lange verhaal voor. Nog altijd ontroert zijn bekentenis me dat hij de grootsheid van zijn favoriete schrijvers misschien nooit zal halen. ‘En dan zal Flaubert een nachtegaal zijn en ik maar een mus, wat dan nog?’ schrijft hij. Liever ‘kwetterde en snaterde’ hij met zijn eigen, unieke geluid, dat toch ook niet mis is. Alleen al door die eerlijkheid verdient hij het om tot in de eeuwigheid te worden herlezen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.