Recensie

Recensie Boeken

Deze 97-jarige debutant bracht de oorlog door in het hol van de leeuw

A.F. van Ravesteijn Weinigen zullen het hem nadoen: debuteren op je 97ste. A.F. van Ravesteijn deed het. Vanaf de eerste zin is duidelijk: hij kan schrijven. (●●●●)

Juli 1945: Een groep dwangarbeiders in Wurzburg wordt bevrijd door het Amerikaanse leger. De meeste dwangarbeiders komen uit Rusland, Oekraïne, Nederland, Servië en Frankrijk.
Juli 1945: Een groep dwangarbeiders in Wurzburg wordt bevrijd door het Amerikaanse leger. De meeste dwangarbeiders komen uit Rusland, Oekraïne, Nederland, Servië en Frankrijk. Foto: Horace Abrahams/Keystone/Getty Images)

Weinigen zullen het hem nadoen: debuteren op je 97ste. A.F. (Louis) van Ravesteijn deed het. En het is niet zomaar een debuut, Ik was erbij. Dwangarbeider in Duitsland 1942-1945. Vanaf de eerste zin is duidelijk: hij kan schrijven.

Het gegeven is op het oog niet heel bijzonder. Van Ravesteijn is één van de honderdduizenden jonge mannen die in de Tweede Wereldoorlog als dwangarbeider naar Duitsland gingen. Hij heeft een relatief comfortabel kantoorbaantje in Buer, in het Ruhrgebied. In een kamp met vooral Russische dwangarbeiders verricht hij hoofdzakelijk administratieve handelingen: boodschappenlijsten maken, roosters controleren, voedselbonnen verdelen. Anders dan de Ostarbeiter heeft hij als Ariër veel bewegingsvrijheid. Bovendien kan hij zichzelf een extra voedselbon toestoppen.

Met een zekere zakelijkheid beschrijft Van Ravesteijn de mensen die op zijn weg komen: de keukenchef, de kamparts, het hoofd van de administratie, de Rechnungsführer (accountant). Omdat het oorlogsgeweld aanvankelijk ver verwijderd is, rijgen de dagen zich moeiteloos aaneen. En ja, ook in een oorlog is er bureauwerk te doen. Ik was erbij heeft daardoor, gek genoeg, iets van Voskuils Het Bureau.

Van Ravesteijn toont de alledaagsheid van oorlog. De meeste Duitsers die hij ontmoet doen hun werk, maar overtuigde nazi’s zijn het niet. Ze zijn, constateert hij tot z’n schrik, eigenlijk best aardig – een uitzondering daargelaten. Hij worstelt ermee. ‘Hoe moet ik me gedragen tegenover Duitsers die ik niet ken, die op zichzelf vriendelijk en behulpzaam zijn, maar toch Duitsers blijven.’

Hij is goed van slag als er een bom valt op het huis van Hermann Rahle, die hem kort na zijn aankomst onderdak aanbood. Rahle ‘die liever als chauffeur een ongeregeld leven leidde [...] dan de kans te lopen als soldaat te sneuvelen’. Zijn maag draait zich om. ‘Eén bom en het leven van een goed mens is voorbij. [...] Begrafenis, laatste eer bewijzen. Moet ik daarbij zijn? Een Duitser die mij geholpen heeft in oorlogstijd.’

Duitse vrouwen

Meer dan vriendschappelijk zijn de relaties die Louis (Ludwig noemen ze hem) aanknoopt met Duitse vrouwen, of eigenlijk: zij met hem, want initiatief hoeft hij niet te nemen. Alle Duitse mannen van zijn leeftijd zitten aan het front, sommigen zijn al jaren vermist.

Eerst is er Lotte, dochter van een mijnwerker, die hem thuis uitnodigt. ‘Ich liebe Dich’, zegt ze al snel tegen hem. Hij aarzelt en zegt: ‘Ik geloof ook dat wat ik voor je voel liefde is.’ En dan legt hij haar uit waar hij mee zit. ‘Dat ze een Duitse is, tot de vijand behoort, en dat ik, als Nederlander, gedwongen ben om voor haar volk te werken. Dat ze geen idee heeft hoe mijn Nederlandse kennissen over mijn gevoelens zullen denken.’ Toch verloven ze zich.

De relatie houdt geen stand, maar Louis vindt snel een nieuwe liefde: de tien jaar oudere Anneliese, wier man al jaren zoek is aan het Oostfront. Als lezer kom je zo ook binnen bij ‘gewone’ Duitsers in oorlogstijd. Ze proberen hun steeds schaarsere voedselrantsoenen aan te vullen, dansen om de ellende te vergeten, en schuilen voor de bombardementen die steeds heviger worden.

Buer is aanvankelijk geen doel. Maar Van Ravesteijn is nieuwsgierig en trekt eropuit om de gevolgen van geallieerde bombardementen met eigen ogen te zien. Met de tram gaat hij naar het nabijgelegen Borbeck, waar hij voornamelijk puinhopen ziet. ‘De tranen springen in mijn ogen en ik bijt mijn lippen stuk.’

Uiteindelijk vallen de bommen heel dichtbij, op het kamp. Ternauwernood overleeft Van Ravesteijn het, in tegenstelling tot enkele tientallen krijgsgevangenen. Kort daarna verschijnen de eerste Amerikaanse soldaten. Van Ravesteijn maakt zich nuttig als tolk. Pas jaren later keert hij terug naar Nederland om leraar Duits te worden. En pas veel later schrijft hij deze memoires. Kort nadat die onlangs verschenen, is hij overleden.