Met uitdreiging besterft

Woordhoek

Onlangs hoorde ik mezelf zeggen, in een zin over de moeder van Jezus: onbevlekte gevangenis. Dit leidde tot verbaasde blikken en gelach. En vervolgens tot een kleine oproep op Twitter, met de vraag: en, wat is uw malste verspreking? Dit leverde enkele fraaie versprekingen op. Hieronder een greep.

Dat raak ik aan de grondstenen niet kwijt. Je eigen hachje doppen. Eerst je eigen boontjes redden. Ze overleed aan klont-en-mouwzeer. Zeetakje (voor theezakje). Ik hoop u binnenkort te verwelken (in plaats van: te verwelkomen). Dat mogen we niet uit de gaten verliezen. Zullen we een paasklankje bestellen bij de borrel? Met uitdreiging besterft. Daar kraait geen hond naar. Ik heb de fietsbonden opgepampt. Een pakje zware jongens graag (verhaspeling van zware shag en Javaanse jongens, overigens een merknaam die vast geen lang leven meer beschoren is).

Het aardige van dit soort verhaspelingen is dat ze – althans bij mij – een soort kortsluiting veroorzaken in de hersenen. Je voelt onmiddellijk dat er iets niet klopt, maar het is alsof de verhaspeling een sluier legt over de correcte vorm, waardoor het moeite kost die op te roepen. Wat komt er ook alweer na hachje? O ja, redden. En wat moet de mens ook alweer zelf doppen? O ja, boontjes. Bij spreekwoorden en uitdrukkingen is dit effect volgens mij sterker dan bij losse woorden, zoals bij paasklankje.

Hals over de kop

Ook in Nieuwsuur was een fraaie verspreking te horen, namelijk: hals over de kop. In Vietnam was het aantal coronabesmettingen plotseling gestegen en daarom verlieten toeristen hals over de kop een bepaalde stad, meldde een presentatrice.

De vraag is of dit echt een verspreking was of eerder een foutief opgeslagen uitdrukking, een mengvorm van halsoverkop (‘met grote haast’) en over de kop (vaak gevolgd door slaan of gaan). Ik vermoed het laatste, want deze fout komt veel vaker voor, ook in de schrijftaal. Hier drie voorbeelden uit NRC: „Zorgplicht vraagt om meer dan hals-over-de-kop of ambivalente maatregelen”, „Gauguin zou na de ruzie hals over de kop Arles hebben verlaten en zijn teruggekeerd naar Parijs” en „Ik zag wielrenners hals over de kop gaan”.

Dronken aarbei

Onlangs kwam hier de zegswijze gelul van een dronken aardbei ter sprake. Die is landelijk bekend geworden door Tedje van Es, een typetje van Wim de Bie. Bron is de 45 toeren-maxisingle ‘Gouden Doden; de nagelaten tapes van Jacobse en Van Es’. Die plaat verscheen in 1981, maar verschillende lezers wezen mij erop dat zij de uitdrukking al lang daarvoor gebruikten. Zo schreef iemand: „De uitlating gelul van een dronken aardbei is al behoorlijk oud. Als geboren Hagenaar gebruikte mijn vader deze ‘spreuk’ ook al in de jaren zestig van de vorige eeuw als in discussies de gemoederen hoog oplaaiden.” En iemand anders schreef: „Mijn Haagse familie gebruikt een gekuiste versie (namelijk: dat is praat van een dronken aardbei) al zeker zestig jaar. Daarom vermoed ik dat niet Wim de Bie deze uitdrukking gemunt heeft, maar dat hij een Haagse zegswijze heeft afgestoft en opgepoetst.”

Ik denk dat dit juist is. Wel algemeen bekend gemaakt door Van Kooten en De Bie, maar niet door hen verzonnen. Waarvan akte.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.