Necrologie

Hij kwam, en de mensen waren gelukkig

Over sterfte Wie zijn de mensen die overleden aan het coronavirus? In deze aflevering: pastoor René Graat (74).

Op Eerste Kerstdag ging René Graat langs iedereen die geen bezoek kreeg.
Op Eerste Kerstdag ging René Graat langs iedereen die geen bezoek kreeg. Foto privé-archief

Hij hield van een feestje, pastoor René Graat. Zeker een katholiek volksfeest als carnaval kon hij niet aan zich voorbij laten gaan. Hij was de mensen nabij tijdens het vasten achteraf, maar ook tijdens het feesten. Dan keek hij naar de optochten, werd hij op het schild gehesen en zong hij luidkeels mee met de carnavalskrakers. De almaar aanhoudende hoest die na het feest begon, baarde hem weinig zorgen. Het typische griepgolfje na carnaval, moet hij gedacht hebben. Niks aan de hand.

En bovendien: Graat had wel voor hetere vuren gestaan. Vijfendertig jaar lang verkondigde hij als missionaris in Congo het woord van God, waar ebola, aids en burgeroorlogen aan de orde van de dag waren.

René Graat, geboren in 1945, groeide op in Heerlen. Zijn familie was weliswaar kerkelijk, maar toen hij vertelde dat hij later missionaris wilde worden, stond zijn vader, brandweerman van beroep, niet bepaald te springen; als oudste van vier kinderen werd van Graat verwacht voor een stamhouder te zorgen. Toen een kennis, missionaris bij de congregatie van Mill Hill, het gezin bezocht en verhalen vertelde over zijn missies, was de jonge Graat om. „Jong, kom toch truuk”, riep zijn vader hem nog na toen hij in Antwerpen de boot op stapte. Op 26-jarige leeftijd vertrok Graat naar Congo, om pas op zijn 61ste in Nederland terug te keren.

Een koffer, dat was alles wat hij met zich meedroeg. Graat trok in zijn eentje van dorp naar dorp. Hij at wat mensen hem voorschotelden, hij sliep bij ze, praatte met ze in hun taal, het Lingala, en ontwikkelde een diep gevoel van verbondenheid met de Congolezen.

De burgeroorlogen, de bombardementen in zijn dorp, niets deed Graat besluiten er weg te gaan. In 1999 lag het dorp waar hij verbleef een week onder vuur. De lokale bevolking sloeg op de vlucht, het dorp werd geplunderd, maar Graat bleef, net zolang tot ook de inwoners terugkeerden. Gevaarlijk maar zinvol, zo zag Graat zijn missie. „Want ik kon de mensen moed geven”, vertelde hij zijn goede vriend Michel Rompelberg achteraf.

Gallisch dorp

Pas in 2007 keerde René Graat terug naar Zuid-Limburg, zijn bezittingen pasten in een doosje en een plastic tas. Hij werd pastoor van drie parochies tegelijk, Noorbeek, Banholt en Reijmerstok, in het zuidelijkste puntje van Limburg. „Het kleine Gallische dorp”, zo omschrijft Rompelberg de gemeenschap, waar het geloof en de gemeenschapszin nog standhouden, met pastoor Graat als „verbindingsofficier”.

Binnen een paar weken kende hij iedereen bij naam, en iedereen kende hem. Overal was de pastoor bij. „Waar de ANWB de praatpalen heeft afgeschaft, heeft Graat ze in de gemeenschap weer opgezet”, vertelt de burgemeester van Eijsden-Margraten, Dieudonné Akkermans. De pastoor wist feilloos wat er speelde in de gemeenschap, hij kende de onderstromen, bood een schouder aan mensen die in de piepzak zaten. Hij liep bij iedereen de deur plat voor een kop koffie, en was er tijdens jubilea, echtscheidingen en ziekte.

Op Eerste Kerstdag zat hij niet aan het diner, maar ging hij langs iedereen die geen bezoek kreeg. Hij gaf zich op voor de vierentwintiguurdienst voor sterftebegeleiding, zodat er altijd een pastoor aan het bed kan staan als iemand overlijdt, ook midden in de nacht. „Als pastoor Graat piketdienst had, werd hij áltijd gebeld”, vertelt Rompelberg. Mensen trouwden voor kerk en lieten hun kind dopen omdat Graat de ceremonie leidde. „Hij kwam, en de mensen waren gelukkig”,

De pastoor was een levensgenieter. De keren dat hij, samen met Rompelberg, tijdens de vastenperiode zes weken geen alcohol dronk waren „een flinke aderlating voor hem”, zegt Rompelberg.

Met kaarsen in de deuropening

Op 22 maart zou Graat bij de familie Rompelberg komen eten, maar een paar dagen daarvoor zei hij dat af. Hij voelde zich niet fit, liet hij weten. Op 23 maart werd de pastoor door de ambulance afgevoerd. Doodziek was hij. Die avond belde hij nog met de firma die de ambachtelijk gemaakte paaskaarsen kwam bezorgen voor het paasfeest, daarna werd hij in coma gebracht.

Iedere avond stonden in de drie parochies mensen met brandende kaarsen in hun deuropening, te bidden voor de pastoor. Drie weken later overleed hij, op de dag voor Pasen.

De drang om mensen nabij te zijn is pastoor Graat fataal geworden. Hij ging langs verpleeghuizen en eenzame ouderen, vierde carnaval, was voorganger ergens op een bovenzaaltje bij een uitvaart toen dat in de kerk al verboden was, om toch een waardig afscheid te kunnen bieden. „Hij was daar misschien ook een beetje te nonchalant in”, vertelt de burgemeester.

Achter de schermen wordt gewerkt aan een stichting ter ere van de pastoor, om blijvend iets te betekenen voor de gemeenschap in Congo. „Van René Graat kun je geen afscheid nemen”, vertelt de burgemeester. „We willen het mooie gevoel wat hij bracht nog iets langer laten doortrillen.”