Reportage

Corona is slechts de laatste dreun voor de kroeg

Kroeginnovatie De aanrakerige cafésfeer wordt door corona ernstig beperkt, maar het kroegleven wás al op z’n retour. De veranderende horecacultuur dwingt kroegen te vernieuwen.

Bea is barvrouw in Café Ons Hoekske, net als ’t Rozenknopje een bruine kroeg in Eindhoven
Bea is barvrouw in Café Ons Hoekske, net als ’t Rozenknopje een bruine kroeg in Eindhoven Foto Merlin Daleman

Zo’n tien jaar geleden begon de aftakeling. Meer dan honderd jaar lang was ’t Rozenknopje in Eindhoven een bruisend bruin café geweest, maar nu leek het een langzame dood te sterven. Op het dieptepunt zaten er op vrijdagavond vijf stamgasten aan de bar. Verder was het café leeg. Als er al een nieuwe gast ’t Rozenknopje binnenliep, maakte deze snel weer rechtsomkeert. De vijf aan de bar keken nieuwelingen letterlijk weg. Het was hún kroeg, nee, huiskamer zelfs. Je loopt toch ook niet zomaar de huiskamer van vreemden binnen?

Het is juni van dit jaar als Niek van de Klundert (39), sinds 2016 eigenaar van ’t Rozenknopje, tevreden naar het terras van zijn café kijkt. Nadat ’t Rozenknopje 2,5 maand gesloten was door de coronacrisis klinkt er buiten weer een gezellig geroezemoes en het geklinkel van glazen. Het terras zit zelfs behoorlijk vol, naar de maatstaven van de anderhalvemetersamenleving.

Sinds Van de Klundert „de Knop” heeft overgenomen, is de kroeg opgestaan uit haar bijna-dood. ’t Rozenknopje loopt goed en trekt een breed palet aan mensen aan. „Jong, oud, buurtbewoners, expats”, zegt Van de Klundert. „Ook komen hier veel clubjes en verenigingen, zoals een fietsclub, een kaartclub, zangkoren.”

Hoewel de eigenaar van sommige stamgasten hoort dat de Knop sinds de overname haar „volkse karakter” is verloren, is het huiskamergevoel van deze oude bruine kroeg bewaard gebleven. Er komen zo’n 250 stamgasten van wie het personeel – een klein, vast team – de namen kent, volgens Van de Klundert. Het barpersoneel knoopt een praatje aan met de gasten, als het ziet dat daar behoefte aan is, of zorgt ervoor dat gasten met elkaar aan de praat raken. „Het is belangrijk dat klanten niet denken: ik zit hier maar een beetje treurig aan de bar”, zegt Van de Klundert. Hij knikt vriendelijk naar een man die zijn fiets parkeert voor het terras. „Dag Thijs.”

De wederopstanding van ’t Rozenknopje is een uitzondering op de regel. Al meer dan tien jaar neemt het aantal bruine kroegen in Nederland af. In 2017 constateerde horeca-adviesbureau Van Spronsen & Partners dat er in één decennium 1.324 bruine cafés waren verdwenen, 13 procent van het totaal. Volgens cijfers van HorecaDNA, het horecabedrijvenregister van Nederland, is het aantal bedrijven in de sector ‘café/bar’ tussen 2017 en 2019 afgenomen met 146, terwijl het totaal aantal horecabedrijven in die periode toenam met 1.108. Experts verwachten dat de afname van het aantal bruine kroegen zich voorlopig blijft voortzetten.

„Het rookverbod voor de horeca is volgens mij de nekslag geweest voor bruine cafés”, zegt Guido Prins, directeur van Klaassen Horecamakelaardij. „Vanaf toen merkte ik dat steeds meer bruine kroegen stopten of hun formule veranderden.” Ook volgens horecatrendwatcher en -adviseur Wouter Verkerk was het rookverbod dat vanaf 2008 stapsgewijs werd ingevoerd een grote klap. „Roken hoorde nu eenmaal bij de bruine kroeg. Vroeger stond het daar altijd blauw.”

Daarnaast denkt Verkerk dat de verhoging van de alcoholleeftijd van zestien naar achttien – ook ingevoerd in 2014 – van invloed is geweest. „In de dorpen was de kroeg de plek waar je als scholier leerde uitgaan. De dorpscafés verloren met de verhoging van de alcoholleeftijd dus opeens een heleboel klanten”, aldus Verkerk.

Sluipmoordenaar

Maar er is ook een sluipmoordenaar in het spel: de veranderende horecacultuur. In de jaren vijftig had een groot deel van werkend Nederland drie levens, schetst Verkerk: thuis, op het werk, en in de kroeg. Het was gebruikelijk om na het werk het café in te duiken voordat je naar huis ging voor het avondeten. „Nu is het minder sociaal geaccepteerd om elke middag twee uur lang bier te drinken met je collega’s”, zegt Verkerk.

’s Middags in de horeca een cappuccino drinken of een broodje eten is anno 2020 wél gebruikelijk. De daghoreca, waar bijvoorbeeld koffietentjes en lunchrooms onder vallen, zijn daardoor in opkomst. Sommige kroegbazen hebben hun bruine café dan ook gered door het te veranderen in een eetcafé. „En dan nog kunnen deze eetcafés ’s avonds een heel leuke kroeg zijn”, zegt horecamakelaar Prins, „maar een kroegbaas kan niet meer leven van het bruine café in zijn ouderwetse vorm.”

Vooral de bruine kroegen die geen lunch of diner aanbieden komen door de coronacrisis, en de anderhalvemetermaatregel die daarmee gepaard gaat, in zwaar weer terecht, volgens Verkerk. „Zo’n kroeg maakt alleen voldoende omzet als-ie zo vol is dat de gasten bij wijze van spreken bij elkaar op schoot zitten. De meeste van deze cafés blijven nu nog overeind door de uitgestelde belastingen, maar als die in het najaar betaald moeten worden, verwacht ik dat veel bruine kroegen omvallen.”

In ’t Rozenknopje kun je tegenwoordig ook lunchen en dineren

In ’t Rozenknopje kun je tegenwoordig ook lunchen en dineren. Toch is dat niet de belangrijkste oorzaak van het hernieuwde succes van de zaak, denkt eigenaar Niek van de Klundert. In het theaterzaaltje op de tweede verdieping organiseert hij een breed scala aan culturele activiteiten, maar vooral muziekoptredens. Volgens Van de Klundert hebben de optredens boven in de zaal veel nieuwe klandizie voor het café beneden aangetrokken.

Zo’n unique selling point kan veel doen voor een bruine kroeg, zegt horeca-adviseur Wouter Verkerk. „Een goed voorbeeld is café Nobel op Ameland. Tussen vier en zes biedt de kroeg heel goede drankjes en borrelplanken aan. Daarom zegt Nobel: ‘Kom bij ons tussen vier en zes uur, want dan is het hier de allergezelligste plek van het hele eiland.’ Het café doet dus aan gerichte marketing en dat werkt, want de zaak loopt goed.”

Door modernisering is ’t Rozenknopje gered, maar de Knop zou de Knop niet zijn zonder dat wat onveranderd is gebleven: het ons-kent-ons-gevoel, het huiskamergevoel, de ziel van de bruine kroeg. Dat is waarom mensen blijven terugkomen. „We verkopen nu ook merchandise”, vertelt Van de Klundert. „Ik zie zowel jong als oud in rozenknopshirtjes lopen. Uiteindelijk wil iedereen ergens bij horen, zich verbonden voelen.”

 

REPORTAGE DE BRUINE KROEG
Drinken, plagen en denken aan vroeger

De stamgasten van Ons Hoekske in Eindhoven zijn blij dat hun café weer onderdeel is van hun dag. „Ik was emotioneel en begon in me eigen te praten.”

Het Eindhovense café Ons Hoekske, gelegen op een hoek in de Gildebuurt, opent elke ochtend om acht uur. Dan komen de eerste stamgasten binnen om hun dag te beginnen met een flesje Bavaria. Ze lopen over het vertrouwde grijze tapijt naar hun geliefde diepbruine bar – of tafel voor de niet-barzitters – en nestelen zich op kruk of stoel. De donkerrode muren voelen als een warme deken die hen beschermt tegen de buitenwereld, waar het lang niet zo gemoedelijk is als in Ons Hoekske.

De muziek gaat aan: ‘Wil jij misschien mijn kijkdoos even zien? Want voor een cent of tien kun jij de wereld zien.’

Mieke van Grunsven (66) besteedt meestal het begin van haar middag in Ons Hoekske. Zo ook vandaag, woensdag. Met een wodka-jus zit ze aan de grote, ronde tafel van het café, samen met Toon Strijb (68). Ze heeft een wantrouwende blik in haar ogen, maar toch is ze open en vertelt ze honderduit. „Kijk, dit is mijn dochter Ria.” Ze trekt haar mouw omhoog. Op Miekes bovenarm prijkt een tatoeage van Ria die een trofee vasthoudt met ‘Kastelein van het jaar 2012’. Ria is de eigenaresse van Ons Hoekske.

In de maanden waarin Ons Hoekske gesloten was wegens de coronacrisis voelde Mieke zich eenzaam. „Ik was emotioneel en begon in me eigen te praten”, vertelt ze. In plaats van in de kroeg dronk Mieke thuis, terwijl ze Netflix keek. Elke dag ging ze vroeg naar bed. Hoewel haar papegaai Sjako thuis haar enige gezelschap was, heeft ze die „naar buiten geflikkerd”. Hij riep de hele tijd ‘kont’, het enige woord dat hij kent. Mieke werd er gek van.

Ook Toon, die in zijn scootmobiel tegenover Mieke zit, was tijdens de lockdown veel alleen thuis. Hij miste het café, maar drinken deed hij niet. „Ik heb tweeënhalve maand niet gedronken,” zegt hij, „en ben begonnen met hardlopen.” Toon lacht. Dat laatste is een grapje, want sinds anderhalf jaar mist hij zijn rechterbeen. Dat moest geamputeerd worden, omdat het aangetast was door suikerziekte.

Foto Merlin Daleman
Foto Merlin Daleman
Foto Merlin Daleman
Café Ons Hoekske in Eindhoven.
Foto’s Merlin Daleman

Sierlijke letters

Er komt een man van het toilet. Hij kijkt geamuseerd. „Ik keek net in de spiegel, maar ik ben geen lelijke jongen hoor!”

„Bende gij blind?” vraagt een andere gast lachend.

„Ach, klootzak”, zegt de man.

„Of scheel, da ken ook.”

De man lacht en loopt naar buiten.

Af en toe doet Mieke mee met het onderlinge geplaag in het café. Af en toe staart ze stilletjes voor zich uit. Hoewel ze het fijn vindt dat ze weer naar Ons Hoekske kan voor wat afleiding, zit ze nog steeds niet lekker in haar vel. Toen ze zo lang thuis zat, begon ze na te denken over vroeger. Te malen. Over haar jeugd en over de doden, van wie de namen en telefoonnummers door haar hoofd gingen spoken. Vanochtend heeft ze naar de huisartsenpraktijk gebeld. Hopelijk kan de dokter haar van dat gepieker afhelpen.

Chris heeft niet voor niets ‘Ons Hoekske’ op zijn bovenlichaam laten tatoeëren

Buiten zitten Chris Dovens (53) en Carlo Becks (56). „Ik klaag niet, maar het is wel wennen”, zegt Chris. „Lekker bij elkaar om de nek mag nu niet meer.”

„En ’s avonds als je veel gedronken hebt, is die anderhalve meter afstand bewaren wel moeilijk”, voegt Carlo toe.

Chris woont boven de kroeg. Tijdens de sluiting ging hij weleens wat drinken bij andere stamgasten thuis, maar hij miste „beneden”. Niet voor niets heeft hij ‘Ons Hoekske’ op zijn bovenlichaam laten tatoeëren. Chris trekt de kraag van zijn shirt een stukje omlaag. De naam van het café komt in sierlijke letters tevoorschijn.

Rode verf

Binnen laat Mieke op haar telefoon foto’s van haar kinderen zien. Van haar zoon Leon heeft ze de minste foto’s. Het is bijna 36 jaar geleden, maar ze weet alles nog. Hoe ze besloot eigen rechter te spelen en naar het huis in Waalre reed. Hoe ze de gevel bekladde met rode verf en op het raam schreef: „Het is vandaag een jaar geleden dat je mijn kleine hebt doodgereden.”

De volgende ochtend om zeven uur kwam de politie haar halen en moest Mieke in haar pyjama de politieauto instappen.

Ja, Leon. Die naam dwaalt het meest door haar hoofd. Ze heeft het zien gebeuren. Op 6 december 1983, Leon was 9, wilde hij de weg oversteken voor hun huis toen hij werd geschept door een auto. De bestuurder reed door. Leon had een schedelbasisfractuur en overleefde het ongeluk niet.

Waarom de bestuurder nooit is vervolgd, weet Mieke niet.

Mieke belt opnieuw naar de huisartsenpraktijk. Er was haar vanochtend gezegd dat ze misschien een antidepressivum voorgeschreven zou krijgen.

Ondertussen klinkt er een luid gezoem door Ons Hoekske. De speeltijd van het biljartspel is om. Een van de biljarters stopt opnieuw een muntje in een automaat, zodat de mannen weer verder kunnen met hun spel.

„Dag.” Mieke legt haar telefoon neer. „Het antidepressivum ligt klaar. Daar ben ik wel blij mee. Eén per dag, tien milligram.”

Mieke gaat naar huis. Op haar scootmobiel en niet met de taxibus die ze voor corona nam. Nu zou ze een mondkapje op moeten in de bus en daar heeft ze helemaal geen zin in. Al die maatregelen rond het coronavirus vindt ze sowieso onzin. „Je krijgt het of je krijgt het niet”, zegt ze. „De duivel bepaalt over jouw leven. De duivel, ja. Niet God. Als er een God was, dan leefde mijn zoontje nog.”