Analyse

Weinig regionale spreiding bij toekenning subsidies podiumkunsten

Kunstsubsidies Het Fonds Podiumkunsten maakt de komende vier jaar ruimte voor vernieuwing en festivals, maar zet een streep door gerenommeerde muziekensembles en theatercollectieven. De helft van de subsidies landt in Amsterdam.

Cappella Amsterdam, dat de vorige periode buiten de boot viel, overbrugde vier jaar zonder subsidie en krijgt nu 700.000 euro van het Fonds Podiumkunsten.
Cappella Amsterdam, dat de vorige periode buiten de boot viel, overbrugde vier jaar zonder subsidie en krijgt nu 700.000 euro van het Fonds Podiumkunsten. Foto Jan Hordijk

De podiumkunstensector wachtte erop met ingecalculeerde huiver: de maandag gepubliceerde toekenningen van het Fonds Podiumkunsten over subsidieperiode 2021-2024. Dat er zwaar weer op komst was, was al lang van tevoren duidelijk. Het fonds had dit keer fors minder geld te besteden, omdat 8,5 miljoen euro werd overgeheveld naar de zogenaamde Basisinfrastructuur (BIS) van het Rijk, waarin jaarlijks 200 miljoen aan kunstsubsidie omgaat. Simpel gezegd is de ‘BIS’ er voor de functies ofwel pijlers onder het podiumkunstenbestel (orkesten, operahuizen, grote theatervoorzieningen). Het Fonds kent subsidie toe aan kleinere ensembles, theatergroepen, festivals en experimentele, nieuwe initiatieven.

Voor het komend kunstenplan is het fondsbudget van 20 miljoen euro twee keer overvraagd. Van de 202 culturele instellingen die subsidie aanvroegen bij het fonds, kregen er 149 een positief oordeel, maar slechts de helft (78) krijgt straks ook daadwerkelijk subsidie, 34 minder dan de afgelopen periode. Voor de rest is geen geld.

Lees ook: Veel theatergezelschappen in zwaar weer door wegvallen subsidie

De situatie lijkt op die in 2016, toen het budget van het fonds ook ontoereikend was om alle positief beoordeelde aanvragers te ondersteunen. Het kabinet repareerde dat toen met een extra bedrag van 9 miljoen euro. Of dat nu ook gebeurt, staat te bezien. Theaters en concertzalen kunnen vanwege de coronaregelgeving voor een nog altijd onbepaalde tijd maar zeer beperkt voorstellingen en concerten openstellen voor publiek. De roep om noodsteun voor de cultuursector blijft daarom nog voor onbepaalde tijd actueel.

De instellingen die de komende vier jaar wel subsidie krijgen, scoorden beter volgens de beoordelingscriteria die het Fonds hanteerde. Maar over de criteria op grond waarvan dat oordeel werd gevormd, is discussie mogelijk.

In haar toelichting op de toekenningen signaleert Fondsdirecteur Henriëtte Post „een luide roep om een cultuursector die de veelkleurige samenstelling van de bevolking beter weerspiegelt”. Er is „momentum voor een fundamentele ‘reset’ van de sector”.

Die reset komt er inderdaad, maar is het de juiste? Diversiteit is veel breder dan veelkleurigheid alleen en het is schrijnend dat genres als jazz en improvisatie met het niet langer ondersteunen van het Jazz Orchestra of the Concertgebouw, de stichting DOEK en de Instant Composers Pool geheel van het toneel dreigen te verdwijnen.

Op sociale media flakkerde de kritiek meteen breed op. Ook een collectieve actie werd al georganiseerd. De Nederlandse Associatie voor de Podiumkunsten vreest kaalslag en doet een dringend beroep op de politiek om „tijdig dekking te regelen en de vitale infrastructuur van de podiumkunsten overeind te houden”.

Een positief aspect aan de nieuwe beoordelingssystematiek is dat het knelkorset van de activiteitensubsidies (geld op basis van aantal voorstellingen) is losgelaten. Makers krijgen daardoor meer ruimte voor eigen keuzes. Ook navolgbaar: een keuze voor maatwerk. Zo krijgen interessante (kleine) nieuwkomers als Eva Line de Boer (Stichting Euphoria), het Berlage Saxophone Quartet of Miranda Lakerveld (World Opera Lab) nu ook een kans.

Criteria

Discutabeler zijn de beoordelingscriteria zelf. De artistieke kwaliteit van de aanvrager is maar één van vijf criteria en wordt niet beoordeeld op basis van excellentie, maar aan de hand van de drie latten „vakmanschap, oorspronkelijkheid en zeggingskracht”. Dat levert niet zelden diffuse en/of merkwaardige motivaties op. Zo zijn de concerten van vocaal ensemble Cappella Pratensis (0 euro) qua vorm „statisch en afstandelijk” – maar dat kun je van elke geconcentreerde uitvoering van vocale oude muziek zeggen. De Groningse bard Meindert Talma is „niet onderscheidend” en „weinig oorspronkelijk” – maar overtuigende onderbouwing ontbreekt. En het Rosa Ensemble („uitstekende musici”) valt onder de zaaglijn omdat „het artistieke profiel door de grote hoeveelheid aan uiteenlopende projecten te diffuus” is. Bij meer afwijzingen wordt veelzijdigheid aangewezen als bedreiging van eigen signatuur. Dat schuurt omdat hetzelfde begrip bij andere aanvragers wél positief wordt gebruikt.

Onder de afvallers zitten opvallende namen. Het gerenommeerde, bekroonde Oorkaan bijvoorbeeld, gespecialiseerd in jeugdmuziektheater. En het uitstekende theatercollectief Dood Paard. Weliswaar biedt dat „maatschappijbewust theater”, maar de plannen - de wijken in trekken, samenwerken met makers van andere culturele achtergronden - zijn volgens het fonds niet overtuigend genoeg onderbouwd. Een mogelijk gevolg is dat aanvragers in de toekomst meer en meer hun heil gaan zoeken bij professionele aanvraagbureaus.

Opvallend bij de verdeling van de gelden is ook geografische spreiding. 54 procent van de meerjarige projectsubsidies landt in Amsterdam, terwijl de regio’s noord, midden en oost samen 4 procent krijgen. Dat de Basisinfrastructuur 2021-2024 juist een betere landelijke spreiding kent, compenseert dat beeld, en er komt vanuit het Rijk ook een matchingsregeling om in cultuurarme regio’s culturele innovatie te stimuleren. Dat neemt niet weg dat het opmerkelijk is dat in de regio Oost-Nederland straks geen enkele cultuurinstelling meerjarig door het Fonds Podiumkunsten wordt ondersteund.