Opinie

Mondkapjes: bezorgd bericht voor een ‘nuchter volkje’

Corona Vanuit zijn ‘Besmette Stad Antwerpen’ schrijft aan zijn vrienden in Nederland – in slaap gesust op briefings, maar wat Covid-19 betreft „geen bitterbal” anders dan andere landen.

Illustratie Hajo

„Waarom blijft het mondkapjesbeleid zo afwijken van de rest van Europa?” De Nederlandse pers vroeg het zich vorige week ook zelf af, naar aanleiding van de avondklok in mijn Besmette Stad Antwerpen en de opnieuw alarmerende coronastatistieken in de rest van het continent. Ook boven de Moerdijk wijzen de cijfers nochtans op een vervaarlijk aanzwellende tweede golf. Het patroon vertoont wat achterstand, verder laat het zich perfect copy-pasten. De haarden bevinden zich vooral in de grote binnensteden, de meeste verspreiders en slachtoffers zijn geen bejaarden maar twintigers tot veertigers, en de overdracht vindt vooral plaats in ‘de recreatieve sfeer’ — bars, huwelijksfeesten, sportscholen, rave-party’s… Het vormt vast een existentiële schok voor mijn Hollandse vrienden, maar ze wijken geen bitterbal af van wat andere bevolkingen overkomt in andere landen.

Niettemin blijft premier Mark Rutte koppig de schietgebeden en stoplappen herhalen uit zijn eerste Covid-19-speech, eind maart. Of nee, correctie. De belofte van een geruststellende ‘groepsimmuniteit’, die na verloop van tijd het Oranjelegioen ook zonder vaccin afdoende zou beschermen, is spoorloos verdwenen. Iedere goede verstaander heeft inmiddels begrepen dat zo’n concept gebaseerd was op lulkoek en wishful thinking. Dit virus – waarvan we nog steeds amper genoeg afweten om nu al conclusies te kunnen trekken over zijn bestrijding, laat staan zijn einddatum – levert bedroevend weinig immuniteit op voor ‘de kudde’. Vele onderzoekers hebben juist tot hun afgrijzen moeten constateren dat de individuele resistentie van een patiënt na diens herstel weer snel lijkt weg te ebben.

Zou het mogelijk zijn? Dat je deze vermaledijde aandoening meerdere keren kunt oplopen? Ik hoorde het nog geen enkele wetenschapper uitsluiten. Een goede vriend van me die nog steeds niet volledig is hersteld, na wekenlange beademing op de intensive care en even lange revalidatie thuis, heeft me verzekerd dat hij liever uit het leven stapt dan deze hel een tweede keer in het stinkende hol te moeten kijken.

Nuchter volkje

Wat Rutte wel nog steeds routineus ophoest, als was hij zijn eigen draaiorgeltje, is het hoempaparefrein van zoveel andere Nederlandse speeches, briefings en bonte avonden: „Wij zijn nu eenmaal een nuchter volkje.” Als je dat genoeg herhaalt – en bij God: wie komt het inmiddels niét de oren uit? – gaat het precies andersom klinken. Het is aanmatigende, op niets gestoelde, vals bescheiden, hysterische en collectief zelfverheerlijkende bullshit. Ook het wij-gevoel kan blijkbaar de vorm aannemen van een epidemie die menige hersenfunctie uitschakelt. Temeer als er, zelfs oog in oog met een pandemie van Bijbelse proportie, geheid een tweede stoplap aan wordt toegevoegd, teneinde een meer algemene mondkapjesverplichting te ontwijken: „Elke maatregel moet toch een beetje aansluiten bij wie hem uitvoert.”

Echt waar? Een medicijn wordt níet bepaald door de aard van de kwaal, maar door de nukken van de zieke die het moet slikken? Je moet al flink bezopen zijn om zoiets ‘nuchter’ te noemen.

Zonder leiderschap ontsporen levensbelangrijke discussies tot loos gekissebis over symbolen. Zoals overal op de planeet en in de verste uithoeken van België gaat het dus ook in Nederland al maandenlang alleen nog over dat verdomde mondkapje. „Soms lijkt het of het kabinet het mondkapje niet bij Nederland vindt passen”, schreef deze krant. Mij lijkt het dat Rutte zich vooral in die egelstelling heeft laten knuppelen door zijn radicaal-rechtse opponenten in Den Haag en hun digitale knokploegen overal te lande. „Een mondkapje dragen om ánderen te beschermen tegen jouw mogelijk besmette zelf? Dat is geen respect of beleefdheid. Het is zelfonderwerping”. Dit las ik letterlijk bij een van zulke trollen. Ook andere tweets suggereerden dat een mondmasker in feite een vermomde, naar beneden gezakte hoofddoek is, en dus weer een sluw onderdeel van de islamisering van het zichzelf eindeloos uitverkopende Europa. „Niet onze volksgezondheid staat op het spel, maar onze vrijheid!”

Welke vrijheid? De vrijheid om anderen te mogen besmetten en zelf besmet te worden?

Ook in Nederland is het mondkapje een achterhoedegevecht

Ook in het rationele Duitsland eisten vorige zaterdag duizenden betogers deze vrijheid op. Ganz toll! Maar heb dan ook de kloten aan je lijf om, op het foute baanvak en tegen tweehonderd kilometer, door ieder rood stoplicht in Berlijn te rijden. Zonder die betuttelende en dus vernederende gordel om te doen. En in de waan dat je eindelijk een verzetsheld bent à la Emiliano Zapata of Willem Tell. En weiger, om helemaal vrij te worden, iedere vorm van officiële ziekenzorg.

Laat ik echter ook zelf niet al te betuttelend worden. Mijn Noorderburen kennen ook in eigen rangen veel tegenstemmen. Heel veel. Indien de doorsnee-Nederlander al bestaat, dan is hij het bij voorbaat en uit principe oneens met ieder van zijn 17 miljoen landgenoten. Over alles en over iedereen. Allicht valt dit wel terug te voeren op historische littekens. Nederland kent sinds eeuwen zoveel kerken en splinterkerken, ook seculiere, dat elke Jan en Kees en Saartje en Dieuwertje geëindigd is als kathedraal en catechismus van zichzelf. Ik vind dat zonder ironie charmant en bewonderenswaardig, maar ‘nuchter’ zou ik het andermaal niet noemen. Luidruchtig en vermoeiend des te meer.

Maar nu ben ik zelf weer loos aan het prikken waar ik oprecht had willen prijzen. Collega Ilja Leonard Pfeijffer is zo’n genadeloze criticaster van het Nederlandse beleid. Hij beschreef, eveneens in deze krant, maandenlang en indringend hoe de pandemie huishield in zijn geliefde standplaats Genua. In HP/De Tijd trekt hij zich bijna wekelijks de lange haren uit het hoofd aangaande landgenoten die „de anarchistische Hollander uithangen door geen mondkapje te willen dragen en heel stoer te laten zien” dat ze niet bang zijn „om besmet te raken met dat stomme virus”. Maar onder die cabareteske ergernis schuilt een fundamentelere. Ondanks zijn Genuese getuigenissen acht het leeuwendeel der Nederlanders het domweg nog steeds ondenkbaar dat de Randstad ooit zou kúnnen veranderen in een Bergamo aan de Noordzee. Nee, zoiets overkomt alleen buitenlanders.

Lees ook: Bieden mondkapjes bescherming of creëren ze schijnveiligheid? Dit zegt de wetenschap

In Nederland? Ondenkbaar

Misschien is dat ook de voedingsbodem van de irritatie die ik hier ventileer jegens een land dat ik grondig bemin en bewonder – ik ben niet voor niets met een Nederlander getrouwd. Indien maatregelen ‘moeten passen bij wie ze uitvoert’, impliceert dat dan niet dat wij Antwerpenaren ons kiplekker zouden voelen, zelfs gefêteerd, bij onze eerste avondklok sinds de Tweede Wereldoorlog? Bij het failliet gaan van steeds meer cafés en het verplicht gesloten blijven van al onze theater- en concertzalen?

Soms vrees ik dat Nederlanders werkelijk zo naar de buitenwereld kijken, achter hun afsluitdijken en brede rivieren vandaan. Gezellig rebels en immuun voor een virus met een Latijnse naam, dankzij hun ‘gezonde boerenverstand’.

Zo gezond bleef je er echter niet onder, getuige de cijfers. De échte, welteverstaan.

De term Hollandse Rekenkunde bezit in België nog steeds een kwalijke reputatie. Na de nederlaag van Napoleon werden in 1815 Nederland en België samengevoegd door het bewind van koning Willem I. Hij legde zijn grondwet ook in ‘het Zuiden’ ter stemming voor. Van de achthonderd tegenstemmen trok hij er eerst honderdzesentwintig af op religieuze gronden. Vervolgens telde hij tweehonderdtachtig thuisblijvers mee als voorstemmers. Hopla! Grondwet goedgekeurd! Je kunt alleen maar hopen dat deze procedure Donald Trump niet ter ore komt, of hij kopieert haar als breekijzer voor zijn tweede ambtstermijn.

Op dezelfde dag dat Antwerpen en zijn avondklok op alle Nederlandse voorpagina’s terechtkwamen, stond verderop in die kranten een veel kleiner bericht. Het gerenommeerde Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) had via een studie van de oversterfte berekend dat de Nederlandse sterftecijfers anderhalf tot twee keer te laag liggen. Alleen positief geteste patiënten golden tot nu toe als coronadode. Iets meer dan zesduizend. In de werkelijke werkelijkheid zijn al meer dan tienduizend Nederlanders aan het virus gestorven. Als je dat extrapoleert op de morbide tracking list van The New York Times, staat Nederland procentueel niet meer ergens middenin, maar pal tussen Spanje en Italië. De twee meest getroffen landen op het Europese vasteland. Op België na, natuurlijk. Wij blijven de trieste koploper.

Een verplicht kapje op zijn kanis

Was ik Nederlander, ik maakte niet weinig stampij om die cijferzwendel. Met pijn in het hart maar broodnuchter van geest zou ik aandringen op een beleid dat wél lering durft te trekken uit de buurlanden.

Maar goddank hebben Nederlanders mij niet nodig. Binnen hooguit een week of twee loopt iedereen in de Amsterdamse Kalverstraat en de Rotterdamse Koopgoot vanzelf met een verplicht kapje op zijn kanis. Net zoals het ook bij ons is gebeurd. Eerst zeggen zelfs topvirologen dat zo’n lapje maar een doekje voor het bloeden is. Een paar maand later lopen ze er zelf mee rond. Omdat de statistische consequenties onloochenbaar zijn. Verhinder een handvol besmettingen en door het exponentiële effect red je misschien duizenden levens.

Ook in Nederland is het mondkapje een achterhoedegevecht dat verrassend snel zal omslaan in een uitbarsting van creativiteit. Ik voorspel kapjes met Mondriaanmotieven en windmolentjes in Delfts blauw. Plakken Gouda, een houten klomp, een beschuit met muisjes… De halve tronies van Rembrandt, Van Gogh, koningin Máxima, Virgil van Dijk… Alles is beter dan niets. En – laatste plaagstoot, hoor – de geluiddempende kwaliteit van zo’n katoenen muilkorf is ook mooi meegenomen. Op ieder terras en elke camping in heel Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.