Koning Childeric hield van snelle, robuuste paarden

Archeologie Botten van Merovingische strijdpaarden lijken op die van moderne racepaarden zoals de Arabier, al zijn ze wel steviger.

Bij een opgraving van Merovingische graven in Theissen in Duitsland werden in 2017 drie paardenskeletten gevonden.
Bij een opgraving van Merovingische graven in Theissen in Duitsland werden in 2017 drie paardenskeletten gevonden. Foto DPA/imageselect

Het was een prachtig graf, gevuld met goud en wapens. In 1653 ontdekte een steenhouwer in Doornik bij bouwwerkzaamheden de rijkelijk gevulde laatste rustplaats van Childeric I (436-481), koning van de Salische Franken en behorend tot de dynastie van de Merovingen. Het goud is in de loop der eeuwen deels gestolen, maar opgravingen in de jaren tachtig van de vorige eeuw voegden nog iets onverwachts toe aan het graf van Childeric: de skeletten van 21 paarden. Een team van Franse onderzoekers heeft deze botten nu in detail bestudeerd en geconcludeerd dat de viervoeters van de koning sterke overeenkomsten vertonen met moderne racepaarden. Ze publiceerden er in juni over in het Journal of Archaeological Science.

Tijdens de Merovingische periode (481-751) ging het paard een steeds belangrijker rol spelen in de Europese oorlogsvoering. Daarnaast bleef het dier een belangrijk statusobject, met een religieuze dimensie. Het ter aarde bestellen van paarden als grafgift was een oud Germaans gebruik, dat de niet-gekerstende Merovingen nog in ere hielden. Van de 21 skeletten die in de buurt van het graf van Childeric I zijn aangetroffen, waren er 12 goed genoeg bewaard om te onderzoeken. De vorm ervan werd vergeleken met de botten van 122 moderne paarden, zowel race- als werkpaarden.

De botten uit Doornik waren relatief slank, waardoor verwantschap met werkpaardenrassen als Boulonnais, Percheron en Nordiker kon worden uitgesloten. De botten van dit soort paarden zijn robuust. De paarden van Childeric leken het meest op moderne racepaarden, met een vleugje van moderne Mongoolse paarden en przewalskipaarden erin. Die invloeden zouden het resultaat kunnen zijn van vermenging tijdens de invasies van de Hunnen in het begin van de vijfde eeuw na Christus.

In een nauwkeurige morfologische analyse, hebben de onderzoekers specifieke botten uit het graf vergeleken met moderne racepaardenrassen. De vorm van de femur- en humerusbotten (dijbeen en opperarmbeen) vertelt iets over de bouw van de spieren waarmee ze verbonden waren. De botten van Childerics paarden komen sterker overeen met die van een Arabier en minder met die van een Engelse Volbloed of Selle Français, twee andere populaire wedstrijdpaarden.

Daarvoor is een eenvoudige verklaring. De Arabier is een racepaard met een relatief groot uithoudingsvermogen, terwijl Engelse Volbloeden beter zijn op de korte baan. De Selle Français is populair bij springruiters. Het ligt voor de hand, aldus de onderzoekers, dat een krijger het liefst op een snel paard reed dat niet vlug uitgeput raakte, maar in staat was meerdere charges uit te voeren.

Hoewel de vorm van de botten en daaraan gerelateerde spierbouw de paarden uit Doornik dus vergelijkbaar zijn met die van een Arabier, zijn de oude botten wel robuuster dan bij deze moderne racepaarden. Dat komt waarschijnlijk omdat een strijdros ook een flinke last moet kunnen dragen. Een krijger in vol harnas weegt immers meer dan een vederlichte jockey. Met het verdwijnen van ruiterstrijders verdween ook de behoefte aan snelle paarden met dikke botten, zo lijkt het.