De universitaire basisschoolleraar studeert bijna af

Pabo op de universiteit Hogescholen waren tegen, maar hij kwam er toch: de volledig universitaire ‘pabo’. De eerste studenten zijn nu klaar.

Afstudeerder Janice Banwarie op basisschool Titus Brandsma in Venlo. „Ik hoop na mijn master als leerkracht en orthopedagoog te werken.”
Afstudeerder Janice Banwarie op basisschool Titus Brandsma in Venlo. „Ik hoop na mijn master als leerkracht en orthopedagoog te werken.” Foto Merlin Daleman

Een volledige universitaire opleiding tot basisschoolleraar? Toen de opleiding pedagogische wetenschappen van primair onderwijs (pwpo) van start wilde aan de Radboud Universiteit, klonk veel kritiek. Met name vanuit hogescholen. Want er was toch al een academische pabo, een samenwerking tussen hbo en universiteit? Volgens toenmalig voorzitter van de Vereniging Hogescholen Thom de Graaf zou zo’n universitaire lerarenopleiding een „kannibaliserend effect” hebben en pabo’s verdringen. Er werden maar liefst 187 bezwaren tegen de oprichting ingediend.

Maar twee jaar na de start in 2018 is het zover: de eerste lichting volledig universitair geschoolde basisschoolleraren studeert binnenkort af – geïnteresseerden konden in 2017 al beginnen door in te stromen via pedagogische wetenschappen.

De eerste academische pabo’s werden in 2008 opgericht in Utrecht en Deventer, omdat steeds minder vwo’ers voor de pabo kozen. Het is een samenwerking tussen hbo en universiteit, waarbij een student in vier jaar tijd aan allebei de instellingen een diploma haalt. Inmiddels biedt vrijwel elke pabo die mogelijkheid.

Lees ook: Voor sommige studenten is de pabo vier keer duurder

Met het aantal vwo’ers dat voor de pabo kiest gaat het inmiddels iets beter. In 2008 waren het er 502, vorig jaar 763. Het aandeel vwo’ers op de pabo ligt al jaren rond de 10 procent, blijkt uit cijfers van de Vereniging Hogescholen. In 2008 was dat nog 7 procent.

Toch zag Anna Bosman, hoogleraar pedagogiek aan de Radboud Universiteit, brood in een nieuwe opleiding. Het frustreerde haar dat op de academische pabo de hogeschool het onderwijs over het lesgeven verzorgde. „Wij gaven alleen college over pedagogiek en onderwijswetenschappen, niet over effectieve didactiek. We wilden een kwaliteitsverbetering. Ik dacht ook dat we een nieuwe categorie studenten konden trekken, die wel willen lesgeven, maar het niveau van de pabo te laag vinden.” Intussen werd het lerarentekort steeds nijpender. „Ik dacht: waarom doen we het opleiden niet gewoon zelf?”

Onder meer door de weerstand van de hogescholen zou dat nog vier jaar duren. Een „kannibaliserend effect” lijkt de opleiding niet echt te hebben gehad. Het aandeel studenten dat de pabo combineert met een studie onderwijs- of pedagogische wetenschappen – wat in de meeste gevallen neerkomt op de academische pabo – ligt sinds 2015 rond de 5,5 procent.

Andere didactische methode

Het grootste verschil met de academische pabo is dat pwpo een keuze heeft gemaakt in de didactische methode die wordt onderwezen. „Pabo’s nemen daar geen standpunt over in”, zegt Bosman. „Ze laten de keuze voor de didactiek over aan de stageschool, en onderwijzen van alles een beetje.” Ze vindt dat „wringen”. „Er is veel wetenschappelijke kennis over wat wel en niet werkt. Ik vind dat studenten die kennis naar een school moeten meenemen. Je moet de keuze niet aan het nauwelijks geïnformeerde veld overlaten.”

Een belangrijke methode die aan de pwpo wordt onderwezen, is de ‘expliciete directe instructie’, waarbij de leerkracht eerst iets uitlegt voordat kinderen het zelf proberen – eerst met de groep, dan met z’n tweeën, dan alleen. „Voor basisschoolleerlingen werkt dat het best”, zegt Robin van Rijthoven, een van de twee opleidingscoördinatoren. „Onze studenten kennen die methode heel goed, waardoor ze er in de praktijk mee kunnen spelen.” Voor kinderen die al meer kennis en vaardigheden hebben, is een meer onderzoekende manier van leren efficiënter, zegt Van Rijthoven. „Een andere uitleg van een docent kan hen juist in de war brengen.”

Het programma bestaat verder uit theoretische vakken over de ontwikkeling van kinderen en over ethiek. „Onderwijs is normatief”, zegt Van Rijthoven. „Daar moet je als leraar over na kunnen denken.” Studenten leren ook onderzoek doen en lopen in alle drie de studiejaren stage.

384 lerarenopleidingen

De waaier van lerarenopleidingen wordt intussen steeds groter. Volgens de Onderwijsinspectie zijn er maar liefst 384 opleidingen of cursussen om leraar te worden. Een aantal universiteiten werkt ook nog aan educatieve masters. Dat is mede het gevolg van een actieplan dat onderwijsorganisaties zoals de PO-Raad, de VSNU en de vakbonden begin dit jaar ondertekenden. Ze willen ook dat de kwaliteiten van academisch geschoolde basisschoolleraren beter worden benut op scholen.

Dat gaat nog niet altijd goed, zegt Hannah Bijlsma, die met twee andere docenten in 2016 de Beroepsvereniging Academici Basisonderwijs oprichtte en ook ondertekenaar van het actieplan. Ze merkten dat je als academisch geschoolde leerkracht „als anders” werd gezien in het basisonderwijs. „Er waren twee soorten reacties. Of: jij bent vast een superleerkracht die alles kan. Of: je bent te theoretisch, je kunt niet met kinderen omgaan.”

Lees ook: ‘Wow, dacht ik, de klas is helemaal stil!’

Inmiddels is dat iets verbeterd, maar de kennis en vaardigheden van academici worden nog steeds niet altijd benut, zegt ze. „Dan wordt gezegd: ga eerst maar eens vijf jaar voor de klas staan. Dat resulteert erin dat veel mensen na anderhalf jaar denken: ik ga in een andere tak van het onderwijs werken, want daar kom ik beter tot m’n recht.” De beroepsvereniging pleit voor meer universitair geschoolde basisschoolleraren. „We vinden dat lerarenteams zo divers mogelijk moeten zijn. Als je gebruik maakt van elkaars kwaliteiten, maak je niet alleen het onderwijs beter, maar zorg je er ook voor dat leraren voor de klas blijven.”

Bosman vindt het belangrijk dat afgestudeerden onderlegd de klas in komen. „Dat als er binnen een lerarenteam discussie is over de aanschaf van een nieuwe methode, zij kunnen zeggen: ik ga onderzoek doen naar wat werkt. Nu zie je vaak dat de prijs de doorslag geeft, of de vraag of het er een beetje leuk uitziet. Maar als je als school doordachte keuzes wilt maken, dan gaat het erom dat je weet wat werkt.”

Janice Banwarie (21): ‘Ik denk dat ik die kritische blik kan brengen’

‘Mijn scriptie gaat over de gevolgen van schaduwonderwijs, zowel voor het individu als het reguliere onderwijs. Hoe het kan dat dit zo erg is toegenomen in Nederland. Ouders willen het beste eruit halen voor hun kind, waardoor kinderen lange schooldagen maken. In het reguliere onderwijs zie je dat leerkrachten in de klas minder tijd besteden aan zorgleerlingen, omdat ze denken: dat gebeurt bij de bijles wel. Zo krijg je ongelijke kansen.

„Ik had me al ingeschreven voor pedagogische wetenschappen toen deze opleiding startte. Ze vroegen of ik niet ook het gedeelte in lesgeven erbij wilde doen. Dat trok me wel, maar ik dacht niet: ik ga leerkracht worden. Maar toen ik stage liep in het eerste jaar, kwam ik erachter dat ik het leuk vind.

„Kinderen die extra zorg nodig hebben vind ik interessant. Daarom ga ik komend jaar de master orthopedagogiek doen en in de andere drie dagen ga ik voor de klas staan. Als ik de master klaar heb, hoop ik bij een schoolbestuur de helft van de tijd als leerkracht te werken en de andere helft als orthopedagoog.

„We hebben geleerd om heel kritisch naar onderwijs te kijken. Niet doen wat leuk is, maar wat bewezen effectief is om kinderen te laten leren. Ik denk dat ik binnen mijn team die kritische blik kan brengen.”

Milou de Kleijn (22): ‘Na de pabo wilde ik meer diepgang’

‘Ik wilde van jongs af aan het onderwijs in om het nog beter te maken. Ik heb eerst een jaar pabo gedaan, dat vond ik heel leuk, maar ik wilde meer uitdaging en diepgang. Vandaar dat ik heb gekozen voor een universitaire opleiding. Deze opleiding heeft een ander soort visie dan de pabo: daar pas je je aan aan de manier waarop onderwijs gegeven wordt op de stageschool, terwijl wij de scholen uitzoeken die vanuit een wetenschappelijke visie lesgeven.

„Ik vind het interessant hoe je onderwijs geeft aan het jonge kind. Daarop zijn veel verschillende visies en de wetenschap is er niet zo eenduidig over. De ene visie zegt dat je de interesses van het jonge kind moet volgen, de andere dat de leerkracht meer moet sturen, door bijvoorbeeld te zeggen: we gaan nu beginnen met de letter R. Tijdens mijn stage bij de kleuters heb ik geprobeerd een evenwicht te vinden.

„Ik wil nog meer kunnen nadenken over onderwijs, maar ik vind dat je dan eerst goed moet kunnen lesgeven. Komend jaar ga ik een master doen in onderwijswetenschappen en stage lopen bij een lerarenopleiding. Uiteindelijk wil ik voor de klas staan op een basisschool en op een lerarenopleiding werken.”

Freek Turlings (31): ‘De uni sprak me meer aan’

‘Ik had al politicologie gestudeerd en een tijdje gewerkt, toen langzamerhand het besef kwam dat ik met kinderen werken heel leuk vind. Via mijn vriendin, die aan het afstuderen was in pedagogische wetenschappen, hoorde ik van deze opleiding. Dat leek me direct wat. Pabo had gekund, maar ik heb een vwo-achtergrond, dus de uni sprak me meer aan. En de insteek: dat je over onderwijs leert denken.

„Ik heb tijdens de studie ook nog een opleiding gedaan tot handschriftdidacticus. Komend schooljaar geef ik colleges over handschriftonderwijs en ik ga een handboek schrijven. De andere twee of drie dagen ga ik als invalleerkracht in Nijmegen werken. Zo zie ik veel verschillende scholen van binnen en dan verwacht ik in de loop van het jaar een vaste plek te vinden.

„Het is hard werken voor de klas, zeker als beginnende leerkracht. We hebben heel veel kennis opgedaan, maar het voelt een beetje als het halen van je rijbewijs: dat het spannend is om in je eentje de snelweg op te gaan.

„Ik houd van de groep. Als je een fijne, positieve groep kunt creëren, waarin ieder kind een plek heeft en zichzelf kan zijn en je daar de aanvoerder in bent. Je kunt gek doen met een klas, serieuze dingen bespreken en keihard werken met elkaar.”