Opinie

Verwarrende boodschap kabinet draagt niet bij aan overtuigingskracht

Covid-19

Commentaar

Het mondkapje is uitgegroeid tot de metafoor voor de verwarring rond de coronamaatregelen. Helpt het kapje of helpt het juist niet? Moet het kapje op, of moet het juist niet? Een eenduidige opvatting is er niet. Gebrek aan duidelijke richtlijnen heeft ertoe geleid dat het aanvankelijk steeds meer aanwezige mondkapje langzaam maar zeker weer uit het Nederlandse straatbeeld is verdwenen. Een paradoxale ontwikkeling want anderzijds lijkt de roep in de maatschappij om het dragen van mondkapjes juist toe te nemen. Maar om daar als individuen ook zelf toe over te gaan is blijkbaar wat anders. Het is voer voor psychologen.

Vanwege verplichte mondkapjesmaatregelen in het (omringende) buitenland en vragen van lokale bestuurders verzocht het kabinet het Outbreak Management Team (OMT) vorige week opnieuw het nut van dit attribuut te onderzoeken. Afgelopen woensdag kwam het ongewijzigde oordeel van de deskundigen: „Onomstreden bewijs dat niet-medische mondneuskapjes bescherming bieden tegen de verspreiding van Covid-19 ontbreekt.”

Vervolgens concludeerde het kabinet dat er vanuit gezondheidsperspectief „geen reden is een niet-medisch mondkapje te verplichten”. Maar tegelijk schreef minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) namens het kabinet er „begrip” voor te hebben als in veiligheidsregio’s toch met mondkapjes geëxperimenteerd zou worden. Zeer herkenbaar. De gedoog- annex moet-kunnen-mentaliteit is nu eenmaal een belangrijk en overal aanwezig element in de Nederlandse bestuurscultuur.

Zodoende hebben de burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam vrijwel direct na het kabinetsbesluit aangekondigd voor drukke delen in hun steden vanaf volgende week het dragen van een mondkapje verplicht te stellen. Om dus, getuige het advies van de deskundigen, een situatie van „schijnveiligheid” te creëren.

De lijn van het kabinet is begrijpelijk maar wringt ook. Het niet-verplichten van het mondkapje borduurt voort op de ‘intelligente lockdown’ die premier Rutte (VVD) aan het begin van de crisis introduceerde. Maatwerk is doorslaggevend. Los daarvan zijn er de algemene aanbevelingen zoals het aanhouden van anderhalve meter afstand. Juist op dit punt gaat het mis omdat deze regel steeds minder wordt nageleefd. Als de spreekwoordelijke coronamoeheid zich ergens manifesteert is het hier. Het is dan ook van het grootste belang dat, nu het aantal besmettingsgevallen ook in Nederland weer toeneemt, de naleving van de regels strikter wordt gehandhaafd.

Maar handhaven zonder overtuigingskracht blijft moeilijk. Het probleem is dat het kabinet maar ook de deskundigen van het OMT met de laconieke benadering van het mondkapje hun eigen overtuigingskracht ondermijnen. Er mag dan wel sprake zijn van schijnveiligheid maar er zijn ook de nodige gedragsonderzoeken die stellen dat het dragen van mondkapjes de ernst van de epidemie onderstreept. Mondmaskers kunnen zodoende bijdragen aan het naleven van de anderhalvemeterdoctrine.

Daarnaast is het goed voor de overtuigingskracht van de aanpak van de wereldwijde epidemie dat landen zoveel mogelijk een ‘alleingang’ proberen te vermijden. Waarom bestempelde Nederland Kroatië begin vorige week tot risicogebied terwijl andere Europese landen dit niet deden? Waarom schrijft Nederland geen verplichte coronatesten voor aan reizigers die uit besmettingshaarden aankomen, terwijl andere landen dit wel doen? Het draagt allemaal bij aan de houding van vrijblijvendheid. Een houding die contraproductief is bij de bestrijding van het virus.

Volgens de laatste cijfers van het RIVM neemt het aantal besmettingen in Nederland weer toe. Daarmee doet Nederland mee aan de trend die elders binnen Europa ook waarneembaar is. Het gaat om een stijging die voorzien was toen besloten werd tot de versoepeling van de beperkende maatregelen per 1 juli. Meer bewegen leidt tot meer besmettingen. Van belang is of de stijging controleerbaar is. Dat lijkt vooralsnog het geval.

Vergeleken met veel andere landen kende en kent Nederland een ontspannen aanpak van de epidemie. Wat overigens niet wil zeggen dat de gevolgen niet immens en verstrekkend zijn. Er is, waar dit mogelijk was, bewust en terecht niet gekozen voor de dirigistische benadering maar een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de burgers. Dat kan echter alleen als de overheid geen verwarrende of tegenstrijdige signalen afgeeft. Maar juist dat gebeurt nu te veel.