Recensie

Recensie Beeldende kunst

Lucht is vluchtig, behalve in de kunst

Tentoonstelling De expositie ‘Lucht’ in Museum Kranenburgh maakt met aangroeiend ijs, wind of een stapel betonblokken de lucht die we inademen fysiek voelbaar.

Marinus Boezem, Het beademen van de beeldbuis (1971). Still uit U-matic video.
Marinus Boezem, Het beademen van de beeldbuis (1971). Still uit U-matic video. Courtesy de kunstenaar en Upstream Gallery Amsterdam

Het is een bekend voorbeeld: als je vissen zou kunnen vragen hoe het water is, moet je geen antwoord verwachten. Immers, je kunt niet bespreken wat je niet kunt vergelijken. In zekere zin geldt dat ook voor mensen als je zou vragen hoe lucht voelt: we weten niet beter. Wie toch antwoorden zoekt, moet deze zomer naar Museum Kranenburgh in Bergen. Op de tentoonstelling Lucht aldaar staan niet zozeer mooie avondschemeringen centraal, zoals geschilderd door de Bergense School honderd jaar geleden, maar de lucht die we inademen. Zuurstof.

Dat geeft de al langer geplande expositie ongepland een urgentie vanwege het huidige longvirus, maar levensadem is al zo veel langer essentieel dat gastcurator Colin Huizing kon putten uit zestig jaar kunst. De tentoonstelling wordt meteen bij de ingang al lichamelijk, met ademhalingsgeluiden die op je afkomen. Deels komen ze van een film van Marinus Boezem die in 1971 tegen een beeldscherm ademde zodat het besloeg – de tijd van performances en lichaamskunst. Een ware kunstenaar kan alles tot kunst verheffen, zelfs ademhalen. Een tweede film is een kus van Abramovic en Ulay uit 1978. Ze dichtten hun neusgaten en zetten de monden tegen elkaar, elkaars longinhoud in- en uitademend tot na een kwartier alle zuurstof op was. Intimiteit als marteling. Als een vis die spartelt op het droge. Dan weet je wat lucht is.

Materialiseren

Geen uitzichten dus maar inzichten. Deze kunstenaars maken lucht fysiek voelbaar, ze materialiseren het met opgeblazen ballonnen, in aangroeiend ijs, in wind, in de warme en koude luchtstromen die een zogeheten immateriële sculptuur van Boezem voortblaast. Een stapel betonblokken van David Rickard blijkt een rekensom: samen even zwaar als alle lucht in deze museumzaal – een zwaarte die wij niet voelen, zoals een vis geen gewicht aan water toekent.

Al die verbeeldingen samen klinken wellicht als een natuurkundige opsomming maar dat is het zeker niet. Er zit namelijk ook op een andere manier lucht in deze tentoonstelling, in poëtische zin. Met al deze gedachte-experimenten is de tentoonstelling een mentale ademruimte. Zo voelt de zaalvullende installatie van Zoro Feigl met langzaam opzwellende brandweerslangen als een zeer vertraagde ademhaling. Alsof heel de zaal mediteert.

Elspeth Diederix, Cloud (2003).

Foto Collectie Arthema Foundation

Thematische uitwerking

Met deze experimentele sixties en hedendaagse conceptuelen is dit niet de meest gemakkelijke kunst. Toch wordt het toegankelijk dankzij de thematische uitwerking, zonder enige versimpeling. Knap. Zo ontvouwt zich hier de menselijke ambitie om de wereld te duiden en te vangen – wat verder strekt dan kunst. In 1919 tekenden 27 landen een verdrag om het internationale luchtruim te verdelen vanwege het toenemende vliegverkeer. Duchamp besloot daarop een capsule met lucht te signeren en al is die niet in de tentoonstelling te zien, zijn gedachtegoed werkt er door. Met name bij David Rickard, die vorig jaar toolkits stuurde naar mensen in die 27 landen: fotografeer die ‘nationale’ lucht en stuur me een capsule met lucht. Noem het maar gebakken lucht, want wie kan de atmosfeer bezitten die zich van landsgrenzen niets zal aantrekken?

Ai Weiwei, Mask (2013). Marmer. Courtesy Ai Weiwei/ Lisson Gallery

Dat maakt lucht inkapselen zinloos, maar ook dat versterkt het meditatieve van de tentoonstelling. Lucht vervliegt nog net zoals op die atmosferische panorama’s van de Bergense School – overigens in een andere museumzaal wel degelijk te zien. Zoals vissen geen water zien, zo ontglipt ons de lucht om ons heen. Behalve in de kunst.