Recensie

Recensie

In het labyrint van de Brusselse lobbyisten

Boekrecensie Voor een kijkje in het labyrint van de Brusselse lobbyisten kun je nu terecht bij het knappe en toegankelijke Het lijkt Washington wel (●●●●) van Peter Teffer.
Reuters

De invloed van grote bedrijven in Brussel reikt veel te ver. Het is een klassiek verwijt dat de EU regelmatig krijgt, maar dat ook vaak zonder concrete voorbeelden in het luchtledige blijft hangen. Niet zo gek: de meesten van ons voelen in onze onderbuik dat het vast waar is, maar missen het geduld om in de krochten van het complexe Europese wetgevingsproces te duiken om na te gaan wat al die bedrijfslobbyisten in Brussel precies bekokstoven. Laat staan dat we concreet weten wat eraan gedaan moet worden.

Wie daar geen genoegen mee neemt kan nu terecht bij Het lijkt Washington wel van Peter Teffer (1981). De dreigende titel moet je met een korrel zout nemen. Teffer maakt direct duidelijk dat hij niets moet hebben van het Hollywood-cliché van de louche lobbyist. Maar hij heeft wel vijf jaar als onderzoeksjournalist over de EU geschreven en zich vastgebeten in de details van het EU-lobbyen in al zijn verschijningsvormen.

Het is een knappe prestatie dat hij zijn boek zowel inhoudelijk gedetailleerd als toegankelijk weet te houden. Verhandelingen over gesteggel over energielabels zullen nooit pageturners worden, maar hij slaagt er goed in je door het labyrint van bureaucratische afkortingen te loodsen. Van een kritisch hoofdstuk over het sponsoren van EU-voorzitterschappen tot een reconstructie van de totstandkoming van de verordening dat nieuwe auto’s in 2030 precies 37,5 procent minder CO2 moeten uitstoten dan in 2021. Duidelijk wordt dat het niet alleen bedrijven zijn die lobbyen, maar dat ook parlementariërs en commissarissen kunnen optreden als belangenbehartigers van sectoren in het thuisland. Het beeld van de EU dat daaruit oprijst is genuanceerd. We hebben niet zozeer te maken met een corrupte bende als wel met een complex, pluralistisch en onaf bouwwerk, waarbij een gebrek aan zelfreflectie een groter probleem is dan uitgesproken kwade intenties.

Opvallend is overigens de haast terloopse opmerking dat de EU in veel opzichten al een stuk transparanter is dan de Nederlandse overheid als het op lobbypraktijken aankomt. Het EU-register voor lobbyisten is bijvoorbeeld verre van perfect, maar biedt toch een stuk meer informatie dan de Haagse evenknie. Wat niet wegneemt dat Teffer nog veel ruimte voor verbetering ziet.

Want ja, het klopt dat bedrijven een voorsprong hebben in Brussel. Zeker als het gaat om wetgeving waarbij grondige kennis van technische details nodig is heeft de bedrijfslobby het goed voor elkaar. Ook signaleert Teffer een problematische asymmetrie in de budgetten, al probeert de Europese Commissie dat recht te trekken door nota bene zelf geld te geven aan ngo’s om tegenwicht te bieden aan de lobby van de financiële sector.

Uiteindelijk schrijft Teffer de dominantie van het bedrijfsleven vooral toe aan het feit dat de interne markt op dit moment de motor achter het Europese project is. En dat is een keus van de lidstaten, en daarmee de facto van de Europese burgers zelf. Zolang daadwerkelijke politieke samenwerking op het vlak van bijvoorbeeld milieu of gezondheidszorg omstreden blijft, is het de economische samenwerking die de breedste steun geniet. En zolang de logica van de markt de boventoon voert zullen het de bedrijven zijn die het gemakkelijkst gehoor vinden.