Opinie

Het lot van Arie den Dekker en de grenzen van de journalistiek

De ombudsman

Het is een schok die je niemand toewenst: een man die heeft gedreigd zichzelf om het leven te brengen, voegt de daad bij het woord. Dat roept pijnlijke vragen op, waaronder: waar ligt de verantwoordelijkheid van anderen, ook die van de media?

Maandag stak de dakloze Arie den Dekker zich in brand voor het gemeentehuis van Oss. Den Dekker, ooggetuige in een misdaadzaak, voerde al jaren strijd tegen de gemeente, nadat hij uit het beschermingsprogramma voor getuigen was geschrapt. Hij kreeg geen woning aangeboden in Oss, wat leidde tot zelfdestructieve protestacties die uitgebreid werden verslagen in de regionale media.

Deze krant bracht begin juli een artikel over hem, van verslaggever Jan Meeus en regio-correspondent Bram Endedijk. Het relaas liet pijnlijk zien welke consequenties een getuigenis kan hebben voor een man die analfabeet was en dakloos raakte na een aanslag op zijn huis.

Met een afschuwelijk einde. Een lezer uit Dordrecht schreef me of de krant deze man, die „duidelijk allerlei psychosociale problemen had”, niet tegen zichzelf had moeten beschermen, door zijn naam niet te noemen, of helemaal niet over hem te schrijven. „Dat de man zich uit wanhoop van het leven heeft beroofd, kon de redactie uiteraard niet voorzien. Maar toch knaagt er iets”, vond de lezer.

Over die bescherming en namen noemen: de NRC Code bevat een lemma over de omgang met minderjarigen en verminderd toerekeningsvatbare volwassenen. Dat bepaalt dat de krant „terughoudend’’ wil zijn met foto’s en achternamen van kinderen, zeker bij controversiële onderwerpen. Voor het interviewen van minderjarige kinderen geldt dat dit moet, „in het bijzijn en met medeweten van een ouder of andere bevoegde volwassene’’.

Bij handelingsbekwame volwassenen ligt dat anders, al moet een journalist ook dan natuurlijk integer met de feiten omgaan. In dit geval: de man uit Oss leefde weliswaar aan de rand van de samenleving, maar was geen patiënt of zwaar verslaafde. Meeus, die hem met Endedijk twee keer ontmoette, noemt hem „zeker niet zwakbegaafd of dom. Hij wilde zijn verhaal vertellen, omdat hij zich onrechtvaardig behandeld voelde”. Den Dekker had een advocaat in de arm genomen en kon helder en consistent verwoorden wat hem was overkomen. De verslaggevers hadden contact met zijn advocaat en met de zoon van Den Dekker. Meeus, een ervaren misdaadverslaggever, zegt: „We zijn ons er steeds zeer van bewust geweest dat dit een kwetsbare man was, dus we wilden niets doen zonder medeweten van zijn advocaat en familie.”

De reportage over Den Dekkers lotgevallen werd voor publicatie aan hem voorgelezen. Hij was, zeggen beide verslaggevers, heel scherp en gedetailleerd en merkte op: nee, dit was niet zo of nee, dat heb ik niet zo gezegd. Al zijn opmerkingen werden verwerkt. Het artikel werd ook voorgelegd aan Den Dekkers zoon. Nadat het was gepubliceerd, werd Meeus op vakantie gebeld door Den Dekker, die zei dat er schot in de zaak zat en dat de gemeente hem nu een tijdelijk verblijf in een zorgboerderij had aangeboden.

Weken later, op de vrijdag voor zijn daad, werd de verslaggever rond half vier opnieuw gebeld door Den Dekker, met wie hij een kort gesprek had. Toen vertelde de man dat hij terug was uit het „gekkenhuis” (de ggz-instelling waar de gemeente hem naar had verwezen), geestelijk gezond was bevonden, maar dat de gemeente hem geen huis wilde aanbieden. Hij herhaalde een eerder dreigement dat hij „het nu echt ging doen”.

Na dat gesprek nam Meeus zich voor om maandagochtend te bellen met de ambtenaar die met Den Dekkers dossier was belast. Hij twijfelde weliswaar hoe serieus dit was – het was niet de eerste keer dat Den Dekker zo dreigde en alles de volgende dag weer anders was – maar toch. „Ik was van plan te bellen om te waarschuwen: joh, dit klinkt niet goed.” Later die zondag sprak Den Dekker een voicemailboodschap in die Meeus miste, waarin hij vroeg om verslaggeving van zijn daad. Op maandagochtend rond 06.00 uur volgde een laatste, concreter bericht. Toen Meeus die boodschappen enkele uren later afluisterde en meteen naar de telefoon greep, was het al te laat. Den Dekker had een vergelijkbaar bericht achtergelaten bij zijn advocaat.

Terugblikkend zegt de verslaggever dat hij zich „natuurlijk” afvraagt of hij meer had kunnen doen. Hij vindt – en ik ook – dat de krant juist heeft gehandeld door de man, zijn advocaat en zoon voortdurend nauw bij de berichtgeving te betrekken.

En daarna? Oordelen over zelfdoding is nooit wijs. Achteraf lijken signalen al snel ondubbelzinnig. Meeus was niettemin verontrust en wilde bellen, al is het de vraag of de ggz, in een gecompliceerd dossier, veel boodschap had gehad aan de indrukken van een verslaggever die geen familie of hulpverlener is.

Journalisten hebben een beroepsverantwoordelijkheid ten opzichte van hun bronnen, en die heeft ook een morele kant. Het doel is – ook in dit verhaal – om relevante feiten aan het licht te brengen, niet om misère uit te buiten. In dat contact met bronnen zit wel een ambivalentie: de journalist doet onderzoek naar de feiten, de bron kan hem gaan zien als zaakwaarnemer of zelfs vriend.

Niet alleen bronnen, trouwens. De presentatoren van Op1 wensten Meeus op tv „sterkte” met zijn „verlies”. Dat is de talkshow-cultuur, waarin een journalist persoonlijk samenvalt met zijn werk. Zo ziet hij het niet, zegt Meeus. Een verslaggever is betrokken, maar „het is toch verstandig dat je een zekere distantie bewaart”.

Binnen die grenzen heeft de krant het treurige, uiteindelijk fatale verhaal van Arie den Dekker integer verteld.

Praten over zelfmoordgedachten kan anoniem via de chat op 113.nl, of bel 113 of 0800-0113. Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.