Necrologie

Waar de werkelijkheid ophield en de waan begon, was voor Biesheuvel irrelevant

J.M.A. Biesheuvel (1939-2020) Met Maarten Biesheuvel verliest de Nederlandse literatuur een van de eigenzinnigste korteverhalenschrijvers van de afgelopen eeuw.

Schrijver J.M.A. (Maarten) Biesheuvel in 2002.
Schrijver J.M.A. (Maarten) Biesheuvel in 2002. Foto Vincent Mentzel

‘Ik was na de dood van Eva helemaal kapot. Ben ik nog steeds, en ik raak niet meer heel”, zei schrijver Maarten Biesheuvel eind vorig jaar in een interview met deze krant. De verlossing is gekomen, want de lol was er al een tijdje vanaf, na het overlijden van zijn vrouw, steun en toeverlaat Eva, ruim anderhalf jaar geleden. Na een kort ziekbed is Biesheuvel donderdag op 81-jarige leeftijd overleden, thuis in zijn woonplaats Leiden. Met hem verliest de Nederlandse literatuur een van de eigenzinnigste korteverhalenschrijvers van de afgelopen eeuw.

In het Leidse huis waar hij overleed, een houten huisje genaamd ‘Sunny Home’, heeft hij zich decennialang geborgen gevoeld, in het gezelschap van zijn zorgzame echtgenote. En in de kamer waar hij schreef – en die hij minutieus vastlegde in Reis door mijn kamer (1986), „opdat mensen over duizend jaar weten hoe een kamer anno 1983 in Leiden, Nederland, eruitzag”. De waarde van die geborgenheid was groot voor de mens Maarten Biesheuvel en de schrijver J.M.A. Biesheuvel – wiens personages, vol onvervulbare verlangens, daar altijd naar zochten.

Lees ook dit interview met Biesheuvel van eind 2019: Maarten is kapot en raakt niet meer heel

Jeugd in Schiedam

Niet omdat zijn jeugd zo naar was geweest, zou de schrijver zelf zeggen: het Schiedam waar hij in 1939 geboren werd, in een gereformeerd gezin, was het decor van kinderjaren die hij op latere leeftijd met graagte idealiseerde, als een verloren paradijs. Gelukkige jongensjaren! Met zijn vader naar de scheepswerf kijken! Toen al kon hij de realiteit naar zijn hand zetten: in de werkelijkheid paste hij niet, was hij een outcast. Hij bezocht twee lagere scholen, werd wegens „eigenzinnig gedrag” van het gymnasium verwijderd en monsterde als zestienjarige in de schoolvakanties aan op de grote vaart, als ketelbinkie. Maar hij ontmoette in Schiedam ook zijn Eva, „om tien voor half drie, op 4 augustus 1958”.

Ze zouden ruim zestig jaar samen blijven. Ook als het leven niet meezat: al tijdens zijn rechtenstudie in Leiden, die hij volgde bij Huib Drion, en met bijvakken Russisch van Karel van het Reve (beiden werden later zijn vrienden), werd Biesheuvel voor enkele maanden opgenomen in een psychiatrische instelling. Hij zou zijn leven lang blijven kampen met manisch-depressieve klachten, medicatie blijven slikken, hoe zwaar dat ook was. Zelden stelde hij zijn toestand, of het „gekkenhuis”, mooier voor dan die was – dat was een omgang met psychische aandoeningen die een zekere emancipatorische kracht had. Biesheuvel heeft voor gekken gedaan wat Gerard Reve voor homo’s deed, stelde schrijfster Renate Rubinstein eens.

Eerste verhalen

De literatuur bood wel soelaas: zowel de grauwe werkelijkheid als de chaos in zijn hoofd kon hij daarmee te lijf, als het meezat. Toen hij eind jaren zestig een kantoorbaantje had en via de telex „allemaal suffe wetenschappelijke vragen uit het buitenland” moest beantwoorden, begon hij onder werktijd zijn eerste verhalen op papier te zetten, vertelde hij in 2015 in een interview. „Af en toe liep de directeur binnen en zei goedkeurend: ‘U bent aardig bezig, meneer Biesheuvel.’ Uiteindelijk kwam uit dat ik nooit een vraag uit het buitenland had beantwoord en werd ik op staande voet ontslagen. Maar ik had toen mooi wel m’n debuut geschreven.”

In 1972 verscheen de verhalenbundel In de bovenkooi, de eerste van ruim twintig bundels. Er ontstond een hype om het debuut heen: al vóór verschijning noemde Gerrit Komrij, een van de eerste besprekers, de verhalenbundel een „pandemonium van ongehoorde voorvallen en halfgare wendingen”. Binnen een maand ná verschijning ontving Biesheuvel er een debuutprijs voor, kort daarna ging hij de boeken in als de literaire ontdekking van het jaar.

Biesheuvels verhalen waren iets anders: waar de literaire mode in de jaren zestig intellectualistisch was, was het groeiende lezerspubliek in de jaren zeventig juist zeer ontvankelijk voor Biesheuvels anekdotische vertellingen, mét humoristische, surrealistische elementen. Sterke verhalenvertellers waren zijn voorbeelden. Vooral Russen als Tsjechov en Tolstoj, of Gogol, van wie hij een voorkeur voor het fantastische geleerd had. ‘Brommer op zee’, een van Biesheuvels bekendste en meest geliefde verhalen, gaat over een wat onaangepaste matroos (‘Op een schip paste hij nog het minst in de gemeenschap en juist daar dacht hij telkens weer de ware romantiek te vinden’), die op een avond vanaf het achterdek een vreemd lichtje ziet naderen: er komt een brommer aanvaren. Hoe kán dat? De bestuurder antwoordt, opmerkelijk zakelijk: ‘“Dat is een kwestie van oefenen”, zei de man, “ik ben begonnen met een speld plat op het water te leggen. Als je dat heel voorzichtig doet, blijft hij drijven. Op de lange duur nam ik steeds zwaardere voorwerpen. Het was mij natuurlijk om mijn brommer te doen en tenslotte reed ik mijn eerste schamele rondjes op de stadsvijver. Nu rijd ik over de hele wereld.”’

Daar al, in zijn debuut, toont zich die onderscheidende eigenaardigheid van Biesheuvels oeuvre: de anekdote die ongemerkt overgaat in iets waanzinnigs. De titel In de bovenkooi was bovendien tekenend voor zijn thematiek: daar, in een hoge kooi, de slaapplaats in het binnenste van een groot schip, vinden de aan de auteur verwante personages hun vrijheid. Krapte, vlak onder het plafond: daar vond hij geborgenheid, maar wel midden op de woeste oceaan. Een rijtje titels leest als samenvatting van Biesheuvels wereldbeeld en thematiek: van Slechte mensen (1973), De Weg naar het Licht (1977), De verpletterende werkelijkheid (1979), tot De wereld moet beter worden (1984), Eert uw vader en uw moeder (1985) en De angstkunstenaar en andere verhalen (1987).

Lees ook de beschouwing van Arnon Grunberg over Biesheuvels werk uit 2007: Schrik niet, de aardbei denkt

Manisch

Zoals Biesheuvel was, zo schreef hij: waar de werkelijkheid ophield en de verbeelding (of de waan) begon, was irrelevant. De toon van zijn verhalen was vaak manisch, met lange aaneengeschakelde zinnen en zonder alinea’s, en zijn stijl bepaald niet sober, maar wél altijd helder. In de loop van de jaren zeventig en tachtig, toen Biesheuvel bijna jaarlijks een verhalenbundel publiceerde, zwol ook kritiek aan: de ironie werd voor meligheid versleten, de huiselijke geborgenheid heette gezapig. Begin jaren negentig viel Biesheuvel vrijwel stil: zijn bipolaire stoornis ontnam hem de concentratie die nodig was om nog iets goeds te schrijven.

De P.C. Hooft-prijs kwam daarom in 2007 als een verrassing, maar betekende ook een herwaardering voor Biesheuvel. Als schrijver: de zelfbenoemde „romantische randfiguur” werd gewaardeerd als koning van het korte verhaal, een prijs voor korteverhalenbundels werd naar hem vernoemd. En als mens: de laatste jaren was hij een aandoenlijke, lijdende man die op televisie bij De wereld draait door in gezang kon uitbarsten en momenten later geëmotioneerd zijn eigen werk voorlas. Daarmee wist hij nog steeds een snaar te raken: in een paar zinnetjes eenvoudig proza kon nog steeds álles gebeuren en tegelijk maar één ding, en was voelbaar waarom het schrijverschap hem ooit tot redding was geweest.

Maarten Biesheuvel zorgt voor onvergetelijke tv in DWDD