Schrijver Stephan Enter

Foto: Werry Crone

Interview

‘Nederland is misschien wel het ongezelligste land’

Stephan Enter Zijn laatste roman Pastorale speelt in een warme zomer in de jaren tachtig en gaat over een eerste liefde en ontsnappen aan een christelijk milieu. „Ik krijg het altijd een beetje benauwd als ik er terugkom.”

‘Religie is naar mijn mening uitsluitend verzonnen om vrouwen, kinderen en dieren te onderdrukken. Ik vind het onbegrijpelijk dat vrouwen in zo’n wereld blijven hangen. Ja, ik ben de laatste jaren steeds atheïstischer geworden. Maar eigenlijk ben ik pas met het schrijven van deze roman echt boos geworden.”

Stephan Enter situeerde zijn laatste roman, Pastorale, in het Barneveld van zijn jeugd. Het is, in die jaren tachtig, een oord met twee gesloten gemeenschappen, die van de Molukkers aan de rand van het dorp, en de bevindelijk gereformeerden. In Pastorale komt puber Oscar tijdens een lome zomervakantie in aanraking met een Moluks gezin, terwijl zijn zus Louise voor het reces terugkeert uit haar studentenstad en iedereen, niet in laatste plaats haar moeder, op de kast jaagt met haar goddeloze opvattingen. Terwijl zij laconiek mijmert over Darwin, veelal liggend in het gras met een sigaret en een fles wijn, schieten de gereformeerden om haar heen omstebeurt in een kramp.

„Toen ik het personage van Louise ging uitdiepen werd ik steeds bozer. Want er kwam van alles terug, zoals de anekdote over die fiets van Louise. Dat is mij precies zo overkomen. Ik kreeg mijn allereerste fiets en mijn eerste gedachte was, wat als de Here Jezus nu van mij vraagt die fiets in de sloot te gooien? Iets in mij zei: dat doe ik niet. Onmiddellijk daarop volgde de gedachte: ja maar dan ben ik dus zwak in mijn geloof. En nu kan ik daar om lachen, maar ik vind het heel kwaadaardig dat je een kind dat kunt aandoen. Dat je een kind zulke gedachten kunt aanpraten.”

Andere anekdotes uit Enters jeugd die in het boek terugkomen: dat op school tegen hem werd gezegd: ‘Laat het denken maar over aan een paard want dat heeft een veel groter hoofd’. En: ‘Kleed je zo dat de wereld niet om je lacht en Gods volk niet om je huilt.’

Zouden niet alle kinderen zich onzichtbare autoriteiten inbeelden met wie ze in dialoog zijn?

„Ik denk niet dat kinderen die niet religieus worden opgevoed dat zo sterk hebben, dat er voortdurend een god is die alles ziet wat jij doet.”

Gaat dat gevoel ooit weg?

„Het is nu wel weg. Gesleten. Ik heb nu bij niets meer het gevoel dat ik gecontroleerd word door een alziend oog. Als het goed is wordt de plek daarvan ingenomen door je eigen geweten. En dat is veel beter dan een godheid die je zou moeten pleasen.”

Maar een geweten is toch ook maar een grillig iets?

„Een rekkelijk begrip? Misschien zit ik dan toch nog te veel in de religie, dat ik denk dat dat een constant begrip is. Ja, dat zou kunnen.”

Op welke leeftijd begon u te twijfelen?

„Vanaf mijn elfde, twaalfde. Je merkt dat er vragen zijn waar je geen duidelijke antwoorden op krijgt. Zoals: hoe zit dat dan met die fossielen als de aarde maar 5.000 jaar oud is? Het merkwaardige aan zo’n gereformeerde opvoeding is dat je juist wordt geleerd om heel goed te lezen. Dus er zit een soort zelfvernietigingsmechanisme in. Want als je goed leest stuit je toch op heel veel dingen die niet kloppen.

Lees hier onze recensie (●●●●) van Pastorale: Ontsnapt naar de stad, maar zo gemakkelijk komt deze ex-gereformeerde niet van Hem af

„Ik dacht als elfjarige ook: dat kan toch niet, dat Job uit het Bijbelverhaal weer gelukkig wordt. Zijn vrouw en kinderen zijn bij een vreselijk noodweer om het leven gekomen, vanwege die weddenschap tussen God en de duivel. En toen ik daarmee naar de dominee ging voelde ik dat hij het ook niet wist. En dat was voor mij een schok, want ja, dominees en ouderlingen die weten alles. En ik zat dan niet eens bij een kerk waar dat complete halfgoden zijn.”

De ouderling in Pastorale wordt als volgt beschreven: ‘[…] buik op schoot, konen met de tint van stoofperen, comfortabel dobberend in zijn bad van lichaamsgeur. De man had eerst een schaaltje Droste-flikken leeggeplukt en wist nu zijn kruik jenever binnen bereik.’

Het interview vindt plaats onder een parasol in de regen, op een terras op Amelisweerd bij Utrecht. Enter zegt van de regen te houden. Halverwege het gesprek determineert hij de zang van een monotone tjiftjaf.

„Het lijkt hier vrij sterk op hoe ik mij Barneveld van vroeger herinner. Daar stroomde ook een riviertje, de Barneveldse Beek. Vroeger speelde ik er het spelletje met de stokjes, dat ook in het boek voorkomt: dat je een stokje ergens in de beek gooit en dan kijkt welk er het eerst een paar kilometer verder bij het viaduct is. Ik heb er gelukzalige herinneringen aan. Ik heb het hier nog geoefend, toen ik het verhaal ging schrijven, om te zien of er details bovenkwamen, hoe het ook alweer was. Ik werd vreemd aangekeken door sommige mensen.

„Ik heb eigenlijk een heel gelukkige jeugd gehad. Dat is ook het verraderlijke, het was een warm nest. Ik herinner me de kerk, het was zo fijn om daar tussen die mensen te zitten, en met z’n allen te zingen, en het was veilig, en ja, als dat een illusie blijkt, wat betekent dan je jeugd eigenlijk?”

Had u broers en zussen met wie u zich samen kon afzetten?

„Niet echt. Dat is ook iets wat religie kinderen aandoet: die grote periode van eenzaamheid. Al die kinderen om je heen geloven, je kunt er niet mee terecht bij familie. Terwijl het sociale , het zingen en zo, heel fijn is. Je werd gewoon gekoesterd. Maar kenmerkend voor de gereformeerden is dat alle mystiek ontbreekt. Ze zijn onvoorstelbaar rationeel. Ze leven naar de letter. Het is zo ongezellig.”

Zou u zeggen: extreem Nederlands?

„Ja. Nederland is misschien wel het ongezelligste land van Europa.”

Terwijl wij denken dat we het patent hebben op gezellig.

„Ja, dat denken Nederlanders.”

Waar zit dat ongezellige hem in, bij die gereformeerden?

„Dan kan ik vooral voor die streek spreken, het heeft iets heel zuinigs allemaal. Ik krijg het altijd een beetje benauwd als ik er terugkom. Het is ook die afschuwelijke Nederlandse mentaliteit, ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, dat bestaat in het kwadraat in Barneveld. Een schoolmeester heeft een keer tegen mijn moeder gezegd dat ik een streber was. Want ik kreeg nooit complimenten thuis, en dan ga je alleen maar beter je best doen. En dan zegt de meester dat ik een streber ben. Als verwijt.”

Vindt u het ook wel prettig om de gereformeerden tegen de haren in te strijken?

„Kijk, je bereikt er niets mee. Ze zitten zo in hun harnas. Het zou pas de moeite waard zijn als iemand een brief zou schrijven: ‘Eindelijk, door uw boek ben ik van het geloof afgekomen’.”

Maar dat gaat niet gebeuren.

„Nee. Maar het is op een bepaalde manier wel leuk als ze boos worden, omdat het zo verdomde moeilijk is door dat harnas heen te prikken. Want die echte bevindelijken, die zijn zo tenenkrommend. Aan de ene kant zijn ze extreem kruiperig, want je moet nederig zijn, en je moet dit en je moet dan, en aan de andere kant zijn ze extreem hooghartig, want alles hangt af van de genade, en als iemand de genade krijgt, dan zijn zij het wel natuurlijk.”

Louise schetst toch ook wel een mooi en een romantisch beeld van het provinciaals-zijn. Ze zegt over de stedelingen dat ze die ook maar een beetje blasé vindt.

„Die dubbelzinnigheid ervoer ik zelf ook. Dat ik me aan de ene kant heel boers voelde, of onbenullig. Mensen die in de stad waren opgevoed waren totaal andere persoonlijkheden. Dat zij zó bepaalde dingen durfden te zeggen. En tegelijkertijd vond ik ze ook wat weeks hebben.”

Week, als in beïnvloedbaar?

„Ja, misschien dat ik dan stiekem denk: de gereformeerden hebben wel ruggengraat.”

Dat denkt u echt?

„Ik loop altijd af te geven op gereformeerden maar als ik in een gezelschap ben waar niemand een religieuze achtergrond heeft, en ze gaan tegen de gereformeerden tekeer, dan neem ik het soms wel weer voor ze op. Het gereformeerd-zijn heeft ook wel voordelen. Mij is heel erg bij gebracht om nooit onder de indruk te zijn van status. Van geld al helemaal niet. Want er is er maar één naar wie je hoeft op te kijken. Daar ben ik wel blij mee. Ik ben er volstrekt ongevoelig voor. Ik heb ook helemaal geen materiële dingen. Ik koop iets te veel boeken, geloof ik, maar dat is het wel.”

Het schrijven gaat dus ook niet over roem.

„Nee, dat interesseert me niet.”

Wat interesseert u?

„Het is echt heel aardig als mensen je waarderen. Maar dat speelt zich op een ander niveau af. Ik vind het fijn als mensen mijn boeken lezen en ze reageren op een manier, waarvan ik denk: we maken contact. En dat is eigenlijk op twee punten, dat is als mensen zeggen: ik was ontroerd – dat is ongeveer het allermooiste compliment, en als ze zeggen: ik moest lachen. Bij dit boek ben ik me dat gaan realiseren, dat als mensen moeten lachen om wat je schrijft, dat ook een diepe vorm van contact is.”

Eigenlijk zijn boeken dan niets meer dan een lange contactadvertentie – contact met de lezer.

„Er is over mijn boeken vaak gezegd dat ze over geluk gaan. Dat is eigenlijk aan het verschuiven, want mijn laatste boeken gaan meer over contact. Bij Compassie is dat heel duidelijk denk ik, en ook in dit boek. Ik denk dat contact misschien überhaupt het belangrijkste thema van het leven is.”