Recensie

Recensie Boeken

Het gevaar van een enthousiaste samenleving

Pleidooi tegen enthousiasme Aan een huwelijk begin je, als het goed is, enthousiast. Maar ook als je tot de conclusie komt dat het niet meer gaat, kun je bevangen raken door een vorm van enthousiasme. Voor dit soort buitengewone bezieling wil filosoof Coen Simon zijn lezers behoeden. (●●●●)

‘Op een middag in de kerstvakantie,’ schrijft Coen Simon in Pleidooi tegen enthousiasme, ‘tijdens het slaapje van de jongste, vertelden we aan de twee oudsten dat we gingen scheiden. Hun wereld stortte in. En de onze ook.’

Aan een huwelijk begin je, als het goed is, enthousiast. Maar ook als je, na veel sores, tot de conclusie komt dat het niet meer gaat, dat je wilt scheiden, kun je bevangen raken door een vorm van enthousiasme. Laten we het noemen: het enthousiasme van het nieuwe begin. Voor beide vormen van buitengewone bezieling wil Simon zijn lezers behoeden. Hij kent ze maar al te goed.

Simon (1972) is filosoof, dus zijn betoog krijgt de vorm van een cultuurbeschouwing. ‘Enthousiasme betekent dat je als door een god bewogen wordt’, herinnert hij zijn lezers. ‘Dat maakt het gevoel juist in deze tijd precair. Het verwijst naar een instituut dat niet de geloofwaardigheid meer heeft die het ooit heeft gehad. En wat geldt voor het instituut religie, geldt ook voor het instituut huwelijk.’

Het pleidooi nodigt, heel zelfbewust overigens, uit tot een psychologiserende lezing. Het verdriet van Simon over zijn scheiding heeft zich uitgesmeerd over zijn maatschappijvisie. Hij geeft ons het perspectief van een rouwende filosoof.

Dat doet niks af aan de kracht van het boek, integendeel: Simon weet heel goed dat je de mentale toestand van een schrijver nooit helemaal los kunt zien van diens bespiegelingen. Dus leunt hij nog wat extra op zijn ervaring: ‘De argwaan voor mijn eigen enthousiasme ontwikkelde zich tot een gevoeligheid voor de valse pathetiek van veel enthousiasme van onze tijd.’ Coen Simon bedrijft belichaamde filosofie. Hij ‘rifft’ op zijn verdriet.

Onoprechtheid

Het geeft hem een verhoogde gevoeligheid voor de onoprechtheid die met enthousiasme gepaard kan gaan. Met snijdende humor beschrijft hij de cultus van positiviteit die heerst in onze populaire cultuur: de hashtags en de selfies en alle andere zaken waar ieder weldenkend mens met een boog omheen loopt. En een groot deel van het boek is gewijd aan de post-truth crisis, die Simon terecht omdoopt tot een autoriteitscrisis. De waarheid is afhankelijk van betrouwbare bronnen. Als alle meningen gelijk zijn, als er geen morele en intellectuele ankerpunten meer bestaan, is er geen houvast meer. In zo’n wereld is alles platgeslagen en grauw. De hulpeloze reactie daarop is om je dan maar te overschreeuwen: enthousiasme om de leegte te verhullen.

‘Iedereen kan kiezen uit talloze wetenschappelijke verhalen en evenzoveel complottheorieën’, schrijft Simon. ‘Wat je ook bent, antivaxer, klimaatontkenner, marxist, neoliberaal, blokkeerfries, atheïst, paragnost, precair, flat-earther; je wordt altijd nog opgevangen in een groep van gelijkgezinden. Er is geen gemeenschappelijk geloof meer, omdat we het ons kunnen permitteren om ons niet meer hetzelfde voor te stellen bij de wereld.’

De vraag is: hunkert de denker hier heimelijk naar zo’n gemeenschappelijk geloof? Of beklaagt hij zich alleen maar over het niveau van het publieke debat? Want ook daarvoor geldt natuurlijk: malle mensen zijn er altijd geweest. Ze zijn alleen wel, door de democratisering van het publieke debat, zichtbaarder geworden. Zo zijn er in het boek wel meer onuitgewerkte ideeën. ‘Na mijn scheiding merkte ik dat ik met mijn enthousiasme niet alleen hoop gaf aan mijn kinderen maar evengoed soms hun verdriet verdrong.’

In die verdringing, en wie haar uitvoert, ligt mogelijk de sleutel tot het tirannieke karakter van ons hedendaags enthousiasme. Daar had ik meer over willen lezen. Maar al met al is Pleidooi tegen enthousiasme een tot nadenken stemmend verhaal, meanderend, naadloos aaneengeregen door persoonlijke verhalen en anekdotes.

Simons eigen vertrouwde autoriteit, tenslotte, is Immanuel Kant. Hij schrijft: ‘Kant wijst erop dat de enthousiaste verbeelding soms met onze gevoelens aan de haal gaat. Enthousiasme is volgens Kant “een ziekte die het [verstand] ontwricht.”’ Daar zet ik graag Sigmund Freud naast, of tegenover. Die meende dat depressieve mensen, of mensen die rouwen om een groot verlies, de wereld zien zoals die werkelijk is: wreed en betekenisloos. Het zijn de anderen die leven in hun hoopvolle waan. Bij de zwartkijkers zijn alle doekjes tegen het bloeden afgerukt; wat overblijft is grauw en eentonig, maar ook scherp omlijnd. Waarachtig.

Simon roept meer vragen op dan hij beantwoordt. Hij doet dat in een prettige stijl, waar woede en ingeslikt verdriet in doorklinken. Pleidooi tegen enthousiasme is een snapshot van ons huidige tijdsgewricht, genomen door de camera van een rouwende intellectueel: een op-z’n-kopse tijd, waarin leeghoofden winnen en denkers verliezen.