Opinie

Het klaslokaal is essentieel, toont de pandemie

Onderwijs

Commentaar

In de recent verschenen toekomstroman van Ewoud Kieft, De onvolmaakten, die speelt in 2060, krijgen leerlingen een les atoomfysica van Albert Einstein zelf. Dat wil zeggen, een virtuele versie van Einstein. ‘Ze dwaalden, Einstein met blote voeten in zijn schoenen, door de reusachtige lege ruimte die de binnenkant van een atoom vormt, om de relatief enorme afstand tussen de buitenschil van elektronen en de atoomkern te bevatten.’ Einstein spreekt zijn leerling toe met Duits accent: ‘„Zie je, jong’n, hoeveel roimte hier ist?”’

Na een half jaar coronapandemie wordt het onderwijs weliswaar nog niet uitbesteed aan virtuele genieën, maar is het wel in een hoog tempo verder gedigitaliseerd. Van de een op de andere dag waren digitale leermethodes niet langer een foefje naast het reguliere onderwijs, maar essentieel onderdeel van het curriculum. Een serie in NRC deed verslag van de ervaringen van leerlingen en leraren, en de rol van techbedrijven in deze omwenteling.

In een van de artikelen kwamen verschillende specialisten van Microsoft aan het woord. Microsoft voorziet dat in de toekomst kennis minder belangrijk zal worden. ‘Plezier’ hebben in leren is fundamenteel, vindt het bedrijf bovendien. Het onderwijs moet rekening houden met de ‘banen van morgen’, aldus de directeur van Microsoft Nederland, en kinderen zullen dus aan hun ict-vaardigheden moeten werken om de Nederlandse economie concurrerend te houden.

Microsoft Nederland heeft dus oog voor de Nederlandse economie en het dito kind. Dat valt te prijzen. Maar tegelijkertijd is het, juist nu scholieren bepaalde basisvaardigheden zoals lezen steeds minder beheersen, van belang dat scholen zich bezinnen op wat een kind zou moeten meekrijgen en welke middelen daarvoor worden ingezet. Want software is nu eenmaal zelden neutraal, en wordt ontwikkeld volgens bepaalde waarden, zoals de visie die Microsoft over toekomst en economie heeft. Dat geldt voor digitale lesmethoden en toetsingswijzen waar een groeiend beroep op wordt gedaan. Het geldt ook voor ogenschijnlijk simpele en veelgebruikte apps als Magister, dat de voortgang van ieder kind tot achter de komma monitort, en waar een groot vertrouwen in kwantificeerbaarheid uit spreekt. Bovendien zijn alle digitale leeromgevingen behept met een onwrikbaar geloof in ‘flexibiliteit’, dat er altijd en overal geleerd moet kunnen worden, zo het kind wil.

De democratiserende potentie van het ‘online leren’ werd aanvankelijk, zoals het hele internet, utopische proporties toegeschreven. Iedereen met een internetverbinding zou op den duur colleges aan Harvard kunnen volgen, kennis zou voor iedereen in gelijke mate beschikbaar zijn. Een paar maanden lockdown, die voor anderhalf miljard kinderen huisarrest betekende, liet nadrukkelijk de keerzijde van dit ideaal zien: thuis leren gaat stukken beter als er ouders zijn die een wekker zetten, ieder kind met een eigen laptop kunnen uitrusten en helpen bij vragen.

Zo maakt de pandemie zichtbaar wat veel leerlingen en leraren vermoedelijk al wisten: scholing gaat niet alleen over toegang tot kennis, maar over de overdracht ervan. Een klaslokaal blijft essentieel. Leraren zijn niet louter opgeleid om simpelweg een online college in te spreken of er naar door te linken, maar om kinderen bij de hand te nemen. Dat gaat in een lokaal een stuk beter dan in een ‘virtuele’ leeromgeving – zelfs als Einstein de professor is.