Recensie

Recensie Boeken

Onze recensent herleest Céline’s klassieker. Dit is wat hij ervan vindt

Klassieker Recensent Sebastiaan Kort herleest Reis naar het einde van de nacht, de klassieker van Louis-Ferdinand Céline over de Eerste Wereldoorlog, maar vooral over armoede en onoverbrugbaar standsverschil.

Illustratie: Paul van der Steen

Toen ik mij voor het allereerst boog over de Reis naar het einde van de nacht waren de verwachtingen zó hooggespannen en de omstandigheden zó ideaal dat het welbeschouwd alleen maar tegen kon vallen. Zo ongeveer elke andere schrijver die ik goed vond verwees er vol achting naar en van alleen al de titel ging iets bezwerends uit, natuurlijk vanwege de belofte van veelomvattendheid die eruit sprak, maar waarschijnlijk ook omdat hij zo leek op het enige boek dat me als scholier in de ban had weten te houden, het door Anne de Vries geschreven Reis door de nacht, een oorlogsepos vol opofferingsgezindheid en patriottistische romantiek, een boek waarin het acroniem ‘Ozo!’ (Oranje Zal Overwinnen) op gezette tijden van stal gehaald werd om de moed erin te houden.

Ook de realiteit deed zijn best om de intensiteit van de ontmaagdende lezing kracht bij te zetten, want de stem van Ferdinand Bardamu, de verteller van de drie continenten omvattende geschiedenis, golfde die bewuste dag over mij heen op een druilerige parkeerplaats voor het Historial de la Grande Guerre, het aan de Eerste Wereldoorlog gewijde museum in het Noord-Franse Péronne. ‘En?’ wilde mijn reisgezel naast mij na tien stille minuten weten. Ik antwoordde met een zojuist onderstreepte zin, die ik nu zo stemmig mogelijk te berde probeerde te brengen: ‘Boven ons hoofd, op twee millimeter of misschien wel één millimeter van onze slapen, zoemden aan één stuk door, als lokkende, lange, stalen draden in de warme zomerlucht, de kogels die je willen doden.’ Ze zoemden als muskieten, die vijandige kogels, maar ze lokten dus net zo goed, ze hingen als verleidelijke libellen in de lucht en Bardamu leek te overwegen om zijn hoofd in hun richting te bewegen. Zo kon je het bij Anne de Vries niet lezen, bij hem was in leven blijven én het leven zelf heilig, zoals altijd en bij iedereen.

Koloniaal Kameroen

We zijn zo’n twintig jaar verder en van het door Y. Kummer in 1968 vertaalde De reis, zoals Céline en zijn adepten het boek uit 1932 plegen te noemen, is een 28ste druk verschenen, ditmaal als toevoeging aan de Perpetua-reeks, die regenboog aan literaire klassiekers. Er ging – en daar was ik eerlijk gezegd wel even benieuwd naar – gelukkig geen Ethische Commissie over de tekst. Op een kwart ervan, als de boot waarin Bardamu zich bevindt aanmeert in koloniaal Kameroen, komen er nog steeds ‘vliegensvlug honderd wiebelende bootjes vol brullende negers aanzwermen’. Een neger is ook in deze nieuwe druk een neger, een negerin een negerin en ook alle nog veel ruwere benamingen voor zwarte mensen staan er allemaal nog in.

Wel is er voor een herlezer veel veranderd, merkte ik. Ten eerste ‘is’ De reis de facto geen boek over de Eerste Wereldoorlog. Zo zat het toch echt in mijn hoofd en zo prijst Tom Lanoye het bijvoorbeeld ook aan op het voorplat van Curzio Malapartes Kaputt (‘Wat Célines Voyage au bout de la nuit was voor WO I, dat is Malapartes Kaputt voor WO II’). Maar dat is dus schromelijk overdreven; die wereldbrand is al na dik honderd pagina’s afgerond en Céline bindt de boel zelfs al eerder af door Bardamu te laten zeggen dat hij het eigenlijk niet kán, vertellen over de oorlog, ‘omdat de mensen van deze tijd het al niet meer zouden begrijpen’.

Honger naar macht

De Eerste Wereldoorlog meemaken (zoals zelf Céline deed) en het je kunnen permitteren om er, in nota bene je debuut, al snel weer bij weg te gaan: zo iemand heeft veel te vertellen. En dat heeft hij, maar wat heb je er als lezer mee in handen? Nou, een roman toch, zou je zeggen, maar Céline zelf sprak, zoals te lezen is in een brief aan de uitgever die het geluk had om het meesterstuk voor te proeven, van een ‘soort literaire, emotieve symfonie’. Een nogal technische, artistieke term die je niet een-twee-drie met het boek in verband brengt – dat wil zeggen met de reputatie ervan, die neerkomt op rauw en recht voor zijn raap.

Dat is dan de buitenkant van De reis, die woorden hebben betrekking op de confronterende uitbarstingen over de misère die Bardamu behalve in de oorlog ook aantreft in Afrika, in de kille, ‘rechtopstaande’ stad die New York in zijn ogen is, op het mensonterende lopendeband-werk in de Ford-fabrieken in Detroit en op de mensheid in het algemeen, die zo dorst naar macht en zo vol is van zichzelf dat men elkaar erbij vertrapt.

Maar Céline wist als geen ander dat de lezer zich met scheldkanonnades alleen stierlijk zou vervelen. Het symfonische is achter en ook in het ontledende gekanker te vinden, in een structuur die je als een draaikolk steeds dieper het zwarte water inzuigt, daar waar geen licht meer schijnt en waar alle hoop verpulvert, en evengoed in de manier waarop Bardamu zijn grauwe, vorsende oog zo nu en dan mild ironiseert, als een heer die zich heeft laten kennen door zich te laten gaan en nu zijn das weer recht trekt.

Antisemiet

Zulke lijnen en grepen vormen samen een eenheid, als strengen die een touw sterk maken. De reis is een boek over armoede en onoverbrugbaar standsverschil (een proeflezer van uitgeverij Gallimard typeerde een eerste versie als ‘communistisch’), maar ván iemand die slimmer was (toen nog wel, een paar jaar later verloor hij als antisemiet elke nuance) om als de eerste de beste ideologische lijntrekker naar buiten te treden. ‘Ik kan er niets aan doen’, laat Bardamu zich tegen het eind ontvallen, ‘maar ik heb altijd geleuterd als een kip zonder kop.’ Een even prozaïsche als essentiële ontboezeming, want het is de sleutel tot het, overvallend tere, slot van dit werk: de aan waarheid hechtende mens die zichzelf, zijn ziel, kapot heeft gedacht en willoos en koud voort moet – want het hart klopt nog.

Heel bedremmeld geeft Bardamu toe dat ‘je je op zulke momenten wel een beetje rot voelt, dat je zo dor en zo hard bent geworden’ als hij erachter komt dat hij helemaal niets kan betekenen voor de gewonde Robinson, een man die we ondanks alles als zijn metgezel kunnen beschouwen. ‘Je mist bijna alles wat je nodig zou hebben om iemand te helpen sterven. Je hebt in jezelf haast uitsluitend nog maar nuttige dingen over voor het dagelijkse leven, een comfortabel leven, jouw eigen leven alleen, die smeerlapperij.’

Lelijke skyline

De reis is nog steeds, een kleine eeuw nadat Céline er aan begon te schrijven, een magnifiek boek waarin in allerlei vormen, maar altijd effectief, nietsontziende charges worden uitgevoerd op alles waar een mens – en dan met name een westers mens – hoop uit put of status aan ontleent. Op de eerste plaats zijn dat de zucht naar geld en de zweep van het leiderschap, maar ook de veronderstelde, iconische pracht van de skyline van New York (Bardamu krijgt de slappe lach van zoveel abjecte lelijkheid), de bedrijvers van wetenschap (die echt niet weten waar ze door hun microscopen naar zitten te koekeloeren) of de sacrale krans rond nieuwgeborenen (Céline laat de huisarts Bardamu uitgerekend bij de behandeling van een baby zijn decorum verliezen) of de totstandkoming van een liefdesrelatie, die geschetst wordt als een hypnotiserende nederlaag.

Dat Céline hiermee school heeft gemaakt is evident, alleen al in ons taalgebied zijn Boon, Reve en Hermans schatplichtig aan hem. Maar tegenwoordig is Célines toorts een beetje gedoofd, lijkt het. Zonde, want stáát er eens een schrijver op die een boek schrijft dat er nog enigszins aan verwant is, zoals het vorig jaar verschenen De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo, dan leidt dat meteen tot vuurwerk.