Recensie

Recensie Boeken

De samenleving waar populisten naar verlangen is onhaalbaar

Populisme Om de opkomst van het populisme te keren moet de democratie zichzelf vernieuwen en democratischer worden. Tegelijkertijd is het de vraag of populistische ideologen serieus genomen moeten worden.

De nationaal-populistische politicus Marine Le Pen.
De nationaal-populistische politicus Marine Le Pen. Foto EPA / Christophe Petit Tesson

Veel verontwaardiging veroorzaken de uitspraken van Geert Wilders niet meer – zelfs provocaties hebben een houdbaarheidsdatum. Afgelopen week gaf de leider van de PVV de Nederlandse rapper Typhoon, naar aanleiding van diens interview in Zomergasten, te verstaan dat hij maar naar een ander land moest gaan en ‘ons’ met rust moest laten, met zijn ‘ziekelijke gezeur’ over institutioneel racisme. Niet lang daarna tweette Wilders over het gedwongen ontslag van de hoofdredacteur van Index, de grootste nieuws-site van Hongarije: ‘Kunnen wij dat ook snel met Marcel Gelauff van de Nos en de rest van de leugenachtige media doen?’

Ons, wij.

Dat de gecalculeerde uitzinnigheid van Wilders niet langer de ophef veroorzaakt waar hij als politicus naar snakt, kun je als een voordeel zien; deze politicus heeft het altijd van de ontstelde verkettering door de gevestigde orde moeten hebben. Niet happen is ook een antwoord. Maar intussen zijn de twee expliciet populistische partijen in Nederland nog altijd goed voor een kleine dertig zetels. Dat als quantité négligeable beschouwen, omdat die partijen ‘toch nooit zullen regeren’ en Wilders een ‘grijsgedraaide plaat’ is, is gevaarlijk zelfgenoegzaam. Populisten komen en gaan, maar het populisme als politieke stroming, schrijft de vermaarde Franse socioloog en historicus Pierre Rosanvallon in zijn nieuwste boek, Le Siècle du Populisme, is een blijvertje. Een fenomeen dat niet alleen verontwaardiging of afwijzing verdient, maar ook een gedegen beschouwing, een théorie.

Het volk

Rosanvallon ergert zich fijntjes aan het losse gebruik van de term populisme, zowel aan de manier waarop het wordt afgedaan als ‘fascisme’ als aan degenen die achteloos roepen dat alle politiek populistisch is – of zou moeten zijn. Politiek populisme is niet nieuw – Rosanvallon gaat uitgebreid in op het bewind van Napoleon III in Frankrijk en verschillende Latijns-Amerikaanse regimes in de twintigste eeuw, allemaal erflaters van wat we nu meemaken. Maar de vorm die het populisme in onze tijd aanneemt, schrijft hij, is niet zomaar een ontsporing in onze democratische cultuur. Het populisme is een reactie erop; wil je er een echt antwoord op hebben, luidt de voornaamste boodschap van zijn boek, dan zal je niet het populisme, maar de democratie zelf onder handen moeten nemen.

Neem dat wij en ons, dat Wilders en al zijn geestverwanten in de mond ligt bestorven. De populistische leider spreekt consequent uit naam van ‘het volk’, dat als een ondeelbare eenheid wordt voorgesteld. ‘Het volk’ ziet zich permanent bedreigd door ondermijnende krachten. De grootste vijand is de bestuurlijke elite, die zich allang niet meer om het volk bekommert (en het, vervuld van verdwaasd kosmopolitisme en kwade trouw, zonder pardon aan zijn vijanden uitlevert). Het volk moet dus weer de baas worden, zonder tussenkomst van hinderlijke instituties die de zuivere volkswil dwarszitten, zoals een onafhankelijke rechterlijke macht, de journalistiek, de publieke omroepen, overheidsorganen. Daarom is er ook geen debat, maar eindeloze polarisatie – politieke tegenstanders zijn geen opponenten, zoals in een liberale opvatting van de democratie, maar vijanden van het volk. Er is, zowel bij het rechtse als het linkse populisme, altijd sprake van een ‘wij’ en een ‘zij’.

Ook is het populisme protectionistisch, grenzen moeten bewaakt worden, muren opgetrokken. Kritische stemmen als Typhoon kunnen maar beter hun mond houden of vertrekken, ‘partijdige’ hoofdredacteuren moeten ontslagen worden.

Ook de representatieve democratie is een aberratie. De wil van het volk, van ‘ons’ en ‘wij’, moet direct worden uitgeoefend, dus is het referendum stokpaardje van alle populistische partijen. Er is maar één wetgevend orgaan: de stembus. De leidersfiguur, de ‘sterke man’ die in zoveel analyses van het populisme opduikt, zal zich altijd als vertolker van de volkswil presenteren. ‘Ik ben geen man, ik ben een volk’, zoals een van de aartsvaders van het linkse, Latijns-Amerikaanse populisme, de Colombiaan Jorge Eliécer Gaitán (1903-1948), het uitdrukte. Het volk heeft de macht, de leider is slechts spreekbuis.

Het populisme zal zich dus nooit als anti-democratisch presenteren, maar juist altijd als de ware democratie, democratie zoals democratie ooit bedoeld was, voordat de verloedering van ‘partijkartels’, partijdige media en ‘D66-rechters’ toesloeg. In werkelijkheid ontstaat in door populisten bestuurde landen als Hongarije langzaamaan wat Rosanvallon een ‘democratuur’ noemt, samenlevingen waarin de democratische instituties uitgehold of afgeschaft zijn, de media in handen van met de regering bevriende oligarchen, en waarin alle benoemingen politieke benoemingen zijn, alles gelegitimeerd door de stembusuitslag.

Het onderkoelde betoog van Rosanvallon is niet de zoveelste waarschuwing tegen het populisme. Om het afglijden naar een onliberale democratie te voorkomen bepleit hij eerder een vernieuwing van de democratie zelf. We leven niet langer in een maatschappij waarin burgers zich gemakkelijk konden laten representeren als deel uitmakend van een klasse, zoals de arbeidersklasse. We zijn geïndividualiseerd, wat onder meer betekent dat we ons ook snel over het hoofd gezien of miskend kunnen voelen.

Superrijk versus arm

Ook de tegenstelling tussen de 1 procent superrijken en de overige 99 procent is volgens hem populistische retoriek, omdat die 99 procent in samenstelling allesbehalve een politieke eenheid vormt. Daarom ook is de bozige nostalgie van sommige linkse beschouwers (dit zijn mijn woorden) om terug te keren naar een politiek die zich afkeert van ‘identiteit’ en alles weer in sociaal-economische termen te zien, een doodlopende weg. Das war einmal. Gezien en erkend worden als burger hangt van veel factoren af, stelt Rosanvallon; in een geïndividualiseerde samenleving is persoonlijke identiteit nu eenmaal van groter belang dan in een hiërarchische klassenmaatschappij. Het is aan de liberale democratie om de democratische ‘omgeving’, daar waar zich de instituties ophouden die de populisten een doorn in het oog zijn, meer open en transparant te maken, zodat er een werkelijke interactie tussen burgers en hun bestuurders plaatsvindt.

Kortom, de democratie moet democratischer worden, zegt Rosanvallon, niet in de populistische maar in de liberale zin van het woord. Want we moeten niet vergeten dat in een democratie de burgers ook echt zeggenschap moeten hebben. Als oproep doet die boodschap zowel hoopvol als naïef aan, omdat het ervan uit lijkt te gaan dat de populistische revolte volledig wordt veroorzaakt door een terecht besef van een democratisch tekort en een zelfgenoegzame bestuurlijke klasse. Maar het hedendaags populisme heeft een januskop. Met de heersende onvrede kun je twee kanten op – de liberale democratie hervormen of haar vernietigen. Voor menig populist is het liberalisme, daar lijkt Rosanvallon bar weinig oog voor te hebben, zélf de vijand.

Traditionalisme

In War for Eternity beschrijft de Amerikaanse academicus Benjamin R. Teitelbaum de ‘romantische’ invloed op het populisme, aan de hand van drie ideologen die stuk voor stuk invloed hadden op populistische leiders: Steve Bannon (Trump), Aleksandr Doegin (Poetin) en Olavo de Carvalho (Bolsonaro). Alle drie, stelt Teitelbaum, zijn gevormd door de filosofische stroming van het zogenaamde Traditionalisme, geïnstigeerd door de Fransman René Guénon (1886-1951). Hij en zijn geestverwanten, onder wie de extreemrechtse schrijver en kunstenaar Julius Evola (1898-1974) zagen de moderniteit als de uitkomst van een lang proces van verwording, waarbij de mens steeds verder van zijn spirituele oorsprong is afgeraakt. Teitelbaum is gefascineerd door het Traditionalisme, met zijn onheldere esoterie en grote filosofische gebaren over aard en verwording van de mensheid. In zijn ontmoetingen en gesprekken met Bannon, Doegin en Carvalho, uitgebreid in reportagestijl beschreven, probeert hij hun wereldbeeld voortdurend terug te voeren naar hun vermeende traditionalistische wortels. Dat is een heilloze onderneming, moet hij toegeven, alle drie de mannen gebruiken wat hen uitkomt. Ook hun ontmoetingen, die zich afspelen in de schaduwwereld van internationale alt-right kringen, lijken weinig vruchtbaar – Doegin en Carvalho kunnen elkaar, lijkt het, niet luchten of zien.

Maar het drietal vindt elkaar vooral in hun gedeelde afkeer van de moderniteit. Het verlichtingsdenken ziet de mensheid als een geheel, wat fataal is voor culturele diversiteit. Het rationele denken heeft mens en samenleving spiritueel ontkerstend, waardoor enkel een plat en geestdodend materialisme rest. Volgens iemand als de voormalige Trump-influencer Steve Bannon is de ziel van het Amerikaanse volk bewaard gebleven in de voormalige arbeidersklasse, de ‘deplorables’ van Hillary Clinton. Wil volgens hem een nieuwe orde kunnen staan, dan zal eerst radicale vernietiging van de oude orde moeten plaatsvinden – in het denken van Bannon geven Guénon en Lenin elkaar een hand.

Sjacheraars

War for Eternity is een onevenwichtig boek. Dat komt vooral door de suggestieve stijl, die voortdurend een spanning opwekt die niet wordt ingelost. Teitelbaum suggereert een web van onzichtbare samenspannende extremistische ideologen, die een enorme invloed op de wereldpolitiek uitoefenen – maar tegelijk moet hij laten zien dat het hier ook om een sorry bunch van marginale sjacheraars gaat, die hun belang en invloed graag overdrijven – dat moet de reden zijn dat Bannon zoveel tijd vrijmaakt voor de Amerikaanse academicus, die van oorsprong musicoloog is.

Beter had Teitelbaum kunnen beschrijven hoe deze drie mannen ieder op hun manier kortstondig hun moment leken te vinden op de populistische golf, die zeker een ‘romantische’ kant heeft. Als het populisme enkel een reactie zou zijn op een democratisch tekort, zou het niet zo aantrekkelijk zijn. Het is juist het holistische beeld van een samenleving die gestoeld is op waarden en niet op rechten, waarin iedereen zich voegt naar traditie en eigenheid, waarin het proces van materialistische verwording gekeerd kan worden, zodat weer gemeenschap kan ontstaan, dat het populisme aantrekkelijk maakt. De machthebbers die de denkers uit het boek van Teitelbaum even aan hun borst drukten, hebben dat goed begrepen.

Het verlangen naar zo’n samenleving is onhaalbaar, een onmachtige fantasie, omdat globalisering en individualiteit inmiddels in de genen van de meest verstokte traditionalist zitten. Wie wil zijn individualiteit inleveren, zich horig tonen aan zijn cultuur, zoals Doegin bepleit? Wie wil er weer naar meneer pastoor luisteren? Die vragen durft het populisme zichzelf niet te stellen. Die gespletenheid kan alleen onzichtbaar gemaakt worden door een onophoudelijke strijd tegen de vijanden van dat droombeeld van herwonnen eigenheid, de kosmopolieten, de elite, de deugers en de diversiteitsmanagers, seksuele minderheden, enzovoort. De totem van het populisme, het volk, bestaat namelijk alleen zolang het zich bedreigd weet – door een rapper, door een hoofdredacteur van het Journaal, door een verplicht mondkapje.