‘Vlees van een kip die vrij rondscharrelde, dat is echt halal’

Halal Tijdens het Offerfeest willen vooral jonge, hoogopgeleide moslims halalvlees van dieren die gezond zijn groot gebracht.

De ‘eerlijke halalslager’ Abderrahim Bouna wil zelf zien hoe zijn dieren opgroeien, voordat ze naar de slacht gaan.
De ‘eerlijke halalslager’ Abderrahim Bouna wil zelf zien hoe zijn dieren opgroeien, voordat ze naar de slacht gaan. Foto David van Dam

Elly-69 komt loom overeind. Ze is een mooie, volle koe. Rechte rug, stevige flanken, kruising Belgisch Blauw en Holstein. Er is maar één minpuntje: het lukte niet haar drachtig te krijgen. Geen kalf betekent geen melk. En geen melk betekent, uiteindelijk, slacht.

Op een zondagmiddag komt Abderrahim Bouna (39) Elly-69 ophalen. Samen met de boer drijft hij Elly in de trailer. Van de boerderij in Molenaarsgraaf (Zuid-Holland) rijdt Bouna in een rustig gangetje naar de islamitische slachter in Neerijnen (Gelderland) – een rit van veertig minuten. Daar wordt Elly uitgeladen. De volgende ochtend is ze als eerste aan de beurt.

Deze vrijdag begint het Offerfeest. Daarmee herdenken moslims de bereidheid van de profeet Abraham om zijn zoon te offeren, toen God hem dat vroeg. Uiteindelijk hoefde het niet en offerde de profeet een ram. En dat doen moslims elk jaar opnieuw tijdens het Offerfeest: ze slachten een schaap en delen het vlees met buren, familie en armen. Het is een feest waarbij samen eten een onderdeel is – een beetje vergelijkbaar met Kerst.

De weken voor het Offerfeest zijn daarom druk voor Bouna. Van ’s morgens tot ’s avonds bezorgt hij ingevroren vlees in diepvriestassen aan huis – met name in de grote steden.

Het is halalvlees van dieren die de bio-industrie nooit hebben gezien. Veel schapenvlees, natuurlijk. Maar ook kippen die hebben rondgescharreld, rustig mochten groeien en geen gemodificeerd mengvoer kregen. Biefstuk, gehakt, stoofvlees en hamburgers van koeien die in de wei hebben gelopen en zonder antibiotica opgroeiden.

Stadsimker

Rijd een dag met Abderrahim Bouna van Rotterdam-Zuid naar het zuiden, Zeeland, en hij verandert onderweg van stadsjongen in buitenman. Opgegroeid op Rotterdam-Zuid, had hij ooit een baan bij een bank, maar dat is lang geleden. Het gaf hem een vast inkomen, maar weinig voldoening. Hij werd imker. Stadsimker van Rotterdam om precies te zijn.

Daar kwam later het vlees bij. Halalvlees is overal in Nederland te krijgen. Niet alleen slagerijen leveren het, ook het aantal halal-restaurants nam de afgelopen tien jaar enorm toe – met name in de Randstad. Maar vlees dat én halal is én zo goed als biologisch – Bouna noemt het ‘eerlijk’, want het officiële predikaat voor biologisch heeft hij niet, hij kan als eenpitter niet aan de baaierd aan regels voldoen – is er nauwelijks. Het gros van de halalslagers krijgt vlees van bioindustrie-dieren.

De vraag naar eerlijk halalvlees neemt toe, merkt Bouna, die in 2018 laag op de kandidatenlijst van de islamische partij Nida stond, maar politiek niet actief is. Zoals het vlees van koe Elly die een kleine drie jaar in een ruime stal liep tussen andere koeien of in de wei. Ze werd met hooi gevoerd. Een koe bovendien die niet urenlang op transport moest, op weg naar het slachthuis.

De vraag komt van tweede en derde generatie moslims die halal vlees willen eten maar niet van dieren die geleden hebben. Zij willen geen kip die in acht weken is groot gebracht, door zijn poten zakt en nooit het daglicht heeft gezien, zegt Bouna. Geen kalf dat meteen na de geboorte bij de moeder is weggehaald en binnen twee maanden wordt geslacht. Ze hebben geld om duurzamer vlees te betalen. En Bouna levert dat.

Lees ook waarom het Offerfeest dit jaar het beste in kleine kring gevierd kan worden

Daarnaast stelt de tweede en derde generatie zich steeds vaker de vraag of vlees uit de bio-industrie, wel écht halal is. Dierenwelzijn is belangrijk in de islam. Er zijn specifieke voorschriften voor de slacht, die bij grootschalige slacht niet gelden : dieren mogen niet tegelijk in de slachtruimte aanwezig zijn, ze mogen elkaar niet zien. Jonge dieren mogen niet bij hun moeder worden weggehaald. „In de Koran staat dat we rentmeesters zijn op aarde”, zegt Bouna. „Je moet dus verantwoordelijk omgaan met leven. Dat betekent meer dan alleen halalslacht. Een dier moet eerst zelf aan de regels voldoen voordat het in aanmerking komt voor consumptie. Dat betekent zorg voor een goed leven van het dier dat je eet.”

Vlijmscherp mes

Om daar zeker van te zijn, koopt hij alleen dieren van boeren die hij al jarenlang kent, vertelt hij onderweg naar Zeeland. Hij weet precies hoe de schapenboer uit Boskoop met zijn dieren omgaat. Voor de melkveehouder uit Molenaarsgraaf bij wie hij af en toe een kalf koopt en laat opgroeien, geldt hetzelfde, net als voor de kippenboer. Bij iedereen gaat hij regelmatig langs en hij volgt zijn eigen dieren van jongs af aan. Is het tijd voor de slacht dan haalt hij de dieren zelf op en brengt ze naar het slachthuis.

Koeien dus de avond van te voren. Zoals met Elly. Als ze als eerste aan de beurt is in het slachthuis, heeft ze weinig in de gaten en is er geen stress. Stress is niet fijn voor de koe en slecht voor het vlees, zegt Bouna. „Het beïnvloedt de smaak.” Als ze toch geagiteerd is, is hij er om haar gerust te stellen.

Abderrahim Bouna met zijn koe in een islamitische slachterij in Neerrijnen. Foto Merlin Daleman

Hij stelt daarom eisen aan de slachthuizen. Ze moeten klein zijn, zoals dat in Neerijnen. Lopendeband-slacht zoals in de grote slachthuizen, zegt Bouna is uitgesloten.

Daarnaast moet de slacht uiteraard halal zijn. Het mes waarmee de halsslagader van Elly wordt doorgesneden is vlijmscherp. De slachter is moslim en zegt Bismillah. Volgens de nieuwe richtlijnen, vastgelegd in een convenant tussen de overheid en religieuze organisaties, moet het dier binnen veertig seconden dood zijn, anders krijgt het alsnog een schietpen door haar kop. Maar bij een goede slachter komt dat eigenlijk nooit voor, zegt Bouna. Een dierenarts houdt toezicht.

Lees ook waarom het lastig is voor consumenten om minder vlees te gaan eten

Een slager verwerkt daarna vrijwel alles van de koe, van kop tot staart. Bouna zint op nieuwe producten, zoals lamsham. „Dat heeft nog niemand.” Het vlees wordt daarna vacuüm verpakt, klaar voor de klant.

Als je het hem vraagt, zou hij het liefst willen dat van veel meer producten de oorsprong zo goed te herleiden is als bij Elly. Want, zegt Bouna, „we consumeren maar, zonder ons te bekommeren om waar ons voedsel vandaan komt, wat ermee is gebeurd. En hoe het is geproduceerd.” Hij vertelt over zijn grootouders die in Marokko hun eigen groente verbouwden. En alleen het vlees aten van hun eigen dieren. „Zij hadden veel aandacht voor hun eten.”

Maar terugkeren naar het leven van zijn opa en oma is een illusie, toch? „Geen illusie maar de toekomst”, vindt Bouna. „We moeten ervan leren. We eten te veel vlees. Dat geldt voor moslims én niet-moslims. Om aan die vraag te voldoen móet er wel industrieel geproduceerd worden.

„Mijn grootouders slachtten een schaap als het feest was. Dan at de hele familie een paar dagen vlees, en dan weer weken of maanden niet. Vlees was een luxe product. Dát moet het weer worden.”

Correctie (5 augustus 2020): In een eerdere versie van dit artikel werd de plaatsnaam Neerijnen tweemaal verkeerd geschreven. Dat is hierboven aangepast.