Recensie

Recensie Beeldende kunst

Uitbundige viering van het oppervlak

Tentoonstelling James Tissot kon de elite van de negentiende eeuw schilderen alsof hij er met dezelfde verwondering naar kijkt als wij.

Rechts: James Tissot, Frederick Burnaby, 1870. Olieverf op paneel (50 cm x 61 cm).
Rechts: James Tissot, Frederick Burnaby, 1870. Olieverf op paneel (50 cm x 61 cm). Foto National Portrait Gallery, London

De glans van zilver en zijde, de dikte van een tapijt en de warmte van zonlicht in een boomkruin. Het Musée d’Orsay in Parijs toont het oeuvre van James Tissot (1836-1902) als een uitbundige viering van het oppervlak. Tissot, zoon van een stoffenfabrikant uit de havenstad Nantes, was uitzonderlijk goed in schepen, textiel, en opmerkelijk genoeg, parken met herfstige kastanjebomen. Je kijkt je ogen uit naar de settings waarin zijn personages zich bewegen.

Licht dat breekt in een boomkruin waaronder een zieke rust, een Perzisch tapijt dat verschuift onder de voeten van een broeierige ontmoeting. Briljant geschilderd, heerlijk om naar te kijken maar ook: bijwerk. De hoofdzaak is het verhaal, de personages. In die benadering is zijn kunst meer verwant met die van de grote romanschrijvers van zijn tijd, Tolstoj en Zola, en met de kostuumfilm van de onze. Hij toont het leven dat zich voltrok in de smalle bovenlaag, waar mensen hun tijd doorbrachten op het speelveld van sociale verwikkelingen. Voor ons is die negentiende eeuw inmiddels een genre in het domein van de fictie, eigenaardig, onwerkelijk maar ook nog steeds toegankelijk door de vele vertolkingen van dat leven in films.

En in het Orsay zien we hoe die filmers, James Ivory, Martin Scorsese, Kazuo Ishiguro, de schilderijen van Tissot verrassend vaak gebruikten in de achtergrond van hun eigen mise-en-scène. Ze deden dat ongetwijfeld als een bescheiden eerbetoon aan deze meester die hen zoveel leerde van het negentiende-eeuwse oppervlak.

Personages

Dat is allemaal al reden genoeg om deze onmoderne meester aandacht te schenken. Maar de kern van dit oeuvre, de echte reden waarom Tissot nog steeds zo’n groot retrospectief verdient, ligt niet uitsluitend in dat fantastische gevoel voor stof en sfeer. Die kern zit in de manier waarop in sommige van zijn schilderijen de personages het echt op kunnen nemen tegen het decor. Dat gebeurt zeker niet in allemaal: Tissots personages hebben vooral in complexere ensceneringen iets vlaks en soms ronduit vervelends, alsof die gezichten hem zelf ook niet zo erg interesseerden. Maar als zo’n persoon hem wél interesseerde ontstond er iets speciaals. Dan komt opeens een heel eigen observatievermogen tevoorschijn, waardoor het is alsof hij zich bij ons voegt, aan de buitenkant van zijn eigen tijd, en er met dezelfde verwondering naar kijkt als wij.

James Tissot, ‘La femme à Paris : les dames des chars’, 1883-85. Olieverf op canvas (146,1×100,7 cm).

Foto Courtesy of the RISD Museum, Providence, Rhode Island

Die indruk vindt bevestiging in zijn biografie van een kunstenaar die nergens helemaal thuis was, pendelend tussen modern en traditioneel, tussen establishment en bohème, tussen Parijs en Londen. In Parijs was hij bevriend met Degas en Morisot maar hij sloot zich, ondanks nadrukkelijke uitnodigingen, nooit echt bij het impressionisme aan. In Londen woonde hij samen met zijn vriendin, de jong gescheiden Kate Newton en haar twee kinderen, tot haar vroege dood in 1882, waarna hij terugkeerde naar Parijs en gouaches met het leven van Christus begon te maken. Edmond de Goncourt beschreef hem als een rare snuiter, intelligent, begaafd en neurotisch, en misschien ligt daar wel een sleutel tot dat element dat zijn kunst soms extra interessant maakt. Dat hij soms dingen zag die je alleen ziet als je dwangmatig een beetje afstand houdt.

Neem zijn vertolking van Colonel Frederick Gustavus Burnaby.

Als het niet zo klein was zou dat portret zich makkelijk meten met de inmiddels beroemde Dr Pozzi alias de Man in de Rode Mantel van John Singer Sargent. Pozzi en Burnaby bewoonden dezelfde wereld aan twee kanten van het Kanaal. Maar Pozzi was naast society-hartenbreker ook een belangrijk wetenschapper, en Burnaby toch meer een typisch laat-negentiende-eeuwse koloniaal, een upperclass Brit met alle voordelen aan zijn kant. En dat alles ligt besloten in het waas van totale zelfgenoegzaamheid dat het schilderij van Tissot tot in de kleinste details uitzendt. Het zit in dat sigaretje in de losjes geheven linkerhand. Het strekt zich uit van zijn puntige snor langs de sigaret in zijn hand tot aan de uiteinden van zijn glimmend gepoetste schoenen, het spiegelt zich in het fantastisch geschilderde borstkuras op de grond en in de op de bloemetjesbank daarachter geparkeerde metalen helm van de prestigieuze household cavalry, een oud Engels elitekorps van de Royal Guards waar Burnaby lid van was. Een gewonere schilder had deze vent rechtop gezet in zijn mooie uniform, inclusief kuras en helm. Tissot drapeert hem diagonaal over een sofa met een witte beschermhoes (‘net binnengevallen’), voor een landkaart van toenmalig Brits Zuidoost-Azië (‘avonturen, reizen, Empire’). Naast hem op de bank ligt een slordig stapeltje boeken (‘geletterd’). Zijn licht geopende mond onder de gefrisuurde snor zegt: ‘really?’

Tissots Burnaby is ruim een eeuw later nog volkomen leesbaar. Je kijkt naar hem en je hoort zijn stem.

Het universum van Tissot, zowel in werkelijkheid als in zijn kunst, had ook een vrouwelijke hoofdpersoon, in de gedaante van Kate, ofwel Kathleen Ireen Ashburnham Newton, geboren Kelly (1854-1882). Zij belichaamt de vrouwelijke keerzijde van die zo aangenaam gestoffeerde wereld. Newtons biografie leest als een negentiende-eeuwse roman: een gearrangeerd huwelijk op haar zestiende, een verboden liefde onderweg naar haar aanstaande in Indië, gevolgd door een scheiding, twee onwettige kinderen en tot besluit een vroege dood aan tuberculose. Achtentwintig was ze toen.

James Tissot: ‘The Gallery of HMS Calcutta (Portsmouth)’, c. 1876. Olieverf op doek (68,6×91,8 cm).

Foto Tate London

In de laatste vijf jaar van haar droevige leven kreeg Newton kennis aan James Tissot, de Frans-Engelse societyschilder, die haar redde van de sociale afgrond en zijn artistieke universum met haar aanwezigheid vulde. In zijn oeuvre is zij, met haar verschijning die vaag doet denken aan de hedendaagse schrijver Bregje Hofstede, de verpersoonlijking van de vrouwelijke negentiende-eeuwse melancholie. En wie weet wat ze zelf tot stand zou hebben gebracht in een betere, minder aangeklede en meer gelijkwaardige wereld.

Na de dood van Kate keerde Tissot terug naar Parijs waar hij met behulp van het spiritisme op zoek ging naar zijn dode lief, en gouaches van het leven van Christus begon te maken, die hem opnieuw wereldfaam en een fortuin bezorgden. Voor ons zijn die niet meer zo makkelijk te waarderen maar het is mooi dat het Orsay ook die laat zien. We naderen het eind van de eeuw. Van Gogh schilderde zijn Korenveld met Kraaien en zijn Boomwortels, en stierf arm en berooid in Auvers-sur-Oise. Tissot zong het nog een paar jaar uit, tot hij stierf in het huis van zijn vader in Doubs, diep in de Franse provincie. Hij had alle mogelijke successen behaald maar bleef op zijn manier een man zonder wortels. Dat spreekt ook mooi uit de titel van deze tentoonstelling, ‘l’Ambigu Moderne’. En dat element geeft zijn beste schilderijen die extra lading elektriciteit die maakt dat wij er nog steeds naar blijven kijken.

Correctie (31 juli 2020): In een eerdere versie van dit artikel stond abusievelijk vermeld dat Tissot in 1863 geboren zou zijn. Dat klopt niet en is hierboven aangepast.