Opinie

Medaillejacht mag nooit ten koste gaan van jonge sporter

Turncoaches

Commentaar

Citius, Altius, Fortius. Al honderd jaar spoort het officiële motto van de Olympische Spelen sporters over de hele wereld aan tot verbetering van prestaties en, daarmee, het verbeteren van records. Sneller, hoger en sterker is het wezen van topsport. Wat het oplevert, behalve het verleggen van de menselijke grenzen, is daarvan direct afgeleid: eerst de medaille, als gevolg daarvan de roem en, niet onbelangrijk, de financiële beloning.

De afgelopen dagen werd Nederland opgeschrikt door de bekentenis van een turntrainer, die in het verleden spijkerharde methoden gebruikte om piepjonge sporters tot kampioenen te kneden. Het was vooral nieuws buiten de turnwereld, want erbinnen waren de misstanden genoegzaam bekend. Verschillende Nederlandse oud-turnsters deden in 2011 en in 2013 al uitvoerig uit de doeken hoe zij als jonge meiden door hun coaches waren geïntimideerd, gekleineerd, gemanipuleerd, uitgescholden en mishandeld.

Afgelopen zaterdag gaf een van die coaches, Gerrit Beltman, in het Noordhollands Dagblad na decennia van stilte over het onderwerp een verklaring voor zijn ‘trainingsmethoden’. „Ik wilde naar de Olympische Spelen en aasde op medailles bij WK’s en EK’s. Die doelen heiligden alle middelen”, zei Beltman. „Ik dacht dat het de enige manier was om een topsportmentaliteit te kweken.”

Na de eerste getuigenissen over grensoverschrijdend gedrag door Nederlandse trainers voerde turnbond KNGU vanaf 2012 verschillende maatregelen in om uitwassen tegen te gaan. Zo werden de luiken van de turnhallen geopend zodat ouders konden meekijken tijdens trainingen, wat eerder niet werd toegestaan door coaches.

De vrouwen van de huidige nationale selectie, onder wie olympisch kampioen Sanne Wevers, stelden maandag in een verklaring dat zij zich niet herkennen in het beeld dat deze week is geschetst van de turnwereld. „Bij ons huidige team heerst een gezond topsportklimaat”, zo schrijven zij.

Lees ook: ‘Ik werd over de grond gesleurd, aan mijn nek omhoog getild, tegen de muur gesmeten’

Maar de getuigenissen van hun voorgangers, turnsters uit eerdere generaties die veelal trainden onder coaches die nog altijd actief zijn, wijzen er ook op dat de wonden uit het verleden allerminst zijn geheeld. Ook zijn trainers die zich destijds schuldig maakten aan misdragingen nooit ter verantwoording geroepen. Typerend is dat de KNGU zich ook na de bekentenis van Beltman nog slechts beraadt op het instellen van een onderzoek naar zijn trainingspraktijken in het verleden.

Om onder dat pijnlijke verleden een streep te kunnen zetten, en om te voorkomen dat trainers opnieuw slachtoffers maken onder jonge meisjes, is het van belang dat de bond uitzoekt wat er precies is gebeurd. Ook heeft de bond de morele plicht een helpende hand te bieden aan slachtoffers bij het verwerken van de traumatische ervaringen die zij als kind moesten ondergaan. Volmondige erkenning van gemaakte fouten is daar een belangrijk onderdeel van.

Bovendien ontneemt een ondubbelzinnige stellingname tegen misdragingen onder het mom van topsportmentaliteit, of de jacht op gouden medailles, begeleiders en trainers de ruimte opnieuw in de fout te gaan. Het opzoeken van grenzen is een wezenlijk onderdeel van topsport, maar het mag nooit ten koste gaan van het welzijn van sporters, zeker niet van kinderen.