Een gitaargod op zolder zijn

Verzamelen Dichter en schrijver was diep in zijn hart liever muzikant geweest. Nu verzamelt hij gitaren. „Een mens wil altijd iets zijn wat hij nét niet is.”

Foto Annabel Oosteweeghel

HOEVEEL GITAREN

Een die oud was voordat ik bestond.
Een om nieuwe huizen warm te spelen.
Een om bozen geesten te bezweren.
Een voor het liedje over ons.

Een die ik nog moet betalen.
Een om aan een vriend te geven.
Een voor in de ochtendzon.
Een om in een taxi te vergeten.

Een die me ooit is overkomen.
Een die ik niet kan bespelen.
Een waarin ik me vergis.

Een van zeven kilo zwaar.
Een zo licht als uilenveren.
Een voor later op mijn kist.

Gerrit Komrij zei ooit dat adem en muziek de natuurlijke ouders van de poëzie zijn. Misschien kom ik daarom wel zo graag bij muzikanten over de vloer. Op een dag ben ik op de koffie bij Erik de Jong, beter bekend als Spinvis. Hij zucht als ik hem vraag wat hij vindt van oudere mannen met zo’n woud aan gitaren. „Ik begrijp het wel een beetje”, zegt hij, als ik iets te lang staar naar zijn uiterst bescheiden gitaarrekje: een goed gebruikte Fender Telecaster in sunburst, zijn mooie Gretsch Country Gentleman („Die werd me uiteindelijk te zwaar”) en nog wat instrumenten waar de doorsneegitaarsnob niet per se voor warmloopt. De rest is ook niet zeldzaam, bijzonder of peperduur, en ligt toch meestal in de tourbus.

„Weet je wat het is”, zegt Erik de Jong, „je hebt van die bandjes met prachtige spullen in brandschone flightcases van de groothandel. Maar de mensen die in zo’n bandje spelen, hebben gewoon een baan en spelen in het weekend af en toe op feesten en partijen. Een muzikant is herkenbaar aan koffers en spullen die met plakband aan elkaar zitten. Een gitaar is gereedschap, als-ie werkt is het goed. Een timmerman heeft ook geen elf klauwhamers nodig.

„Maar goed, ik begrijp het dus wel. Zo’n nieuwe gitaar staat je aan te kijken, hij heeft mooie lijnen, je kunt ’m omhelzen, hij glimt, je geld brandt in je zak en in een nieuwe gitaar kúnnen ook echt nieuwe liedjes zitten. Dan is het maar een kleine stap naar de overtuiging dat al je problemen in dit leven opgelost zullen zijn als je die ene gitaar erbij koopt. Als je ’m eenmaal hebt, is er niets veranderd. Uiteindelijk heeft het nauwelijks iets met muziek te maken. Hoeveel gitaren heb jij eigenlijk?”

Ik verslik me in mijn koffie, kijk een tijdje uit het raam en begin over iets anders. Dat het er elf zijn, in nagelnieuwe koffers, durf ik hem niet te vertellen.

Erik de Jong heeft natuurlijk gelijk. Het verlangen naar de zoveelste gitaar is als het verlangen naar een sigaret uit het gedicht van Rutger Kopland: het staat los van waar je precies naar verlangt, het is het verlangen zelf. En als je eenmaal bent begonnen je huis vol te stouwen met gitaren, is dat net zo moeilijk op te geven als roken.

Foto Annabel Oosteweeghel

Wat dat volstouwen betreft, ging het met mij nog vrij lang goed. Ik had als puber geen enkele belangstelling voor gitaren. Ik speelde piano op een grote, hoge Kaps uit Dresden met ivoren toetsen waar de vingertoppen waren ingesleten, en die qua stemming altijd een beetje zweefde omdat hij honderd jaar oud was en veel was verhuurd voor feesten. Mijn ouders hadden het ding gekocht voor mijn zus, die er na drie weken de brui aan gaf.

Als ik maar lang genoeg gitaar speel, kom ik bijna altijd op nieuwe ideeën

Ik heb vanaf mijn tiende tot mijn zeventiende op pianoles gezeten. Het was al snel duidelijk dat dat niet echt ergens heenging, maar ik had er te veel plezier in om te willen stoppen. Ik kan me trouwens nog steeds niet bedwingen als ik ergens iets met toetsen zie staan. Een paar jaar geleden was ik geboekt om stemmige poëzie over leven, dood en troost voor te dragen op een lotgenotenbijeenkomst van weduwen en weduwnaars. Na de voordracht werd ik achter de vleugel geplant om gezellig wat te spelen, zodat de conversatie een beetje op gang kon komen. Binnen tien minuten kwamen er een paar rouwgangers vragen of ik weer wilde ophouden, of ten minste minder hard spelen, want ze konden elkaar niet verstaan.

Toen ik op mezelf ging wonen, moest en zou de piano uit het ouderlijk huis met me mee. Dat werd het enige echte trauma dat ik in mijn tienertijd heb beleefd, want de verhuizer stond al beneden met het ding toen bleek dat hij de trap niet op kon. Ik zie de Kaps nóg schommelend de poort uitrijden, geflankeerd door een paar chagrijnige mannen in stofjassen.

Uit arren moede kocht ik mijn eerste gitaar, een Spaans budgetgeval met nylon snaren, waarop ik verbitterd verder tokkelde. Jarenlang was er niets aan de hand – iedereen die ik kende had wel een bestoft exemplaar van precies zo’n gitaar in een hoek van de kamer staan – totdat ik besloot om ook een elektrische gitaar te kopen. Ik wist ook welke: het model dat John Lee Hooker op straat zit te bespelen in de film The Blues Brothers. Op de een of andere manier raakte daarna het hek van de dam. Inmiddels heb ik dus een stuk of elf gitaren, en dan tel ik er nog een paar niet mee omdat ik mijn vrouw wijsmaak dat ze niet bestaan, en mezelf dat ik ze binnenkort toch weer verkoop. Ik verstop ze her en der in huis, zoals een alcoholist zijn flessen.

Lees ook: Heeft Netflix de hobby vermoord?

Zoals veel andere schrijvers was ik diep in mijn hart liever muzikant geweest. Niet eens per se gitarist, maar wel iemand die zonder woorden mensen kan raken. Dat zal in dit leven niet meer gebeuren. Zelfs in mijn eigen band Asfaltfeeën speel ik maar een paar nummers op gitaar mee vanuit de olympische gedachte. Een mens wil nu eenmaal altijd iets zijn wat hij nét niet is. Of beter: iets wat hij nét niet denkt te zijn, terwijl hij het totaal niet is. Dat is een belangrijk onderscheid, omdat het de kern is van de waan waarin veel gitaartoeristen leven: ze denken bijna allemaal dat ze eigenlijk goede muzikanten zijn, maar dat ze de juiste spullen nog niet gevonden hebben.

Er zijn grofweg twee soorten gitaartoeristen. De leuke soort bestaat uit gitaaraltruïsten – financieel vrij onbezorgde mannen die ook wel weten dat ze matig spelen, maar genoeg zelfspot hebben om toch veel plezier in hun verzameling te hebben, en af en toe bereid zijn om iemand die wél kan spelen maar het minder goed heeft, een instrument te verkopen voor een afbraakprijs. Zo halen ze hun plezier niet alleen uit het bezitten van mooie instrumenten, maar ook uit het verkopen daarvan aan mensen die er echt iets mee kunnen. Daarmee staan ze soms ook een beetje aan de wieg van het succes van anderen. Ik hoop dat ik, als ik in de verre toekomst met stramme vingers mijn verzameling ga afbouwen, zo’n altruïst zal kunnen zijn.

Foto Annabel Oosteweeghel

De vervelende gitaartoerist leeft in een permanente staat van ontkenning: hij weet zeker dat niet zijn talent en discipline onvoldoende zijn, maar dat zijn collectie gitaren te klein is om hem te laten stralen als de gouden gitaargod die hij is. Hij hangt veel rond op muziekfora en zeurt iedereen de grond in. Dit zijn de snaarnarcisten, vervelende lui bij wie je uit de buurt moet blijven. De enige troost is dat ook deze mensen een keer doodgaan, en dan trekken de echte muzikanten alsnog aan het langste eind. Als een gitaarzaak opeens een aantal mooie vintage gitaren van dezelfde soort heeft, is meestal de weduwe van een gitaartoerist langs geweest.

‘Doen ze dat nou snel, zo’n collectie opruimen?”, vroeg ik aan Rudi Bults, een van de beste gitaarverkopers van Nederland. „Meestal duurt het een paar jaar”, zei hij. „Dan is het vast een emotioneel afscheid voor zo’n weduwe”, zei ik. „Mwah….” zei Rudi, en keek met een milde grijns uit het raam, „..niet echt.”

Lees ook: Grote slagen met kleine poppetjes: de mannen achter wargaming

Voorlopig heb ik een redelijk excuus om niets weg te doen. Thuis speel ik niet alleen gitaar voor mijn plezier, maar ook omdat ik heb ontdekt dat gitaarspelen een goede manier is om in de stemming te komen om te gaan schrijven. Ilja Leonard Pfeijffer zei lang geleden dat schrijven voor een behoorlijk deel bestaat uit het doen van dingen om in de stemming te komen, en dat is waar. Als ik maar lang genoeg gitaar speel, kom ik bijna altijd op nieuwe ideeën voor gedichten, verhalen en artikelen. En zelfs als dat niet gebeurt, heb ik toch lekker een tijd gitaar zitten spelen. Een werkdag met een gitaar in de buurt kan niet mislukken. Zodra ik de juiste woorden in mijn hoofd krijg, gaat de gitaar aan de kant. Als ik vast kom te zitten, pingel ik mezelf weer op gang. Zonder gitaar in de buurt acht ik mijn leven onleefbaar en mijn werk ondoenlijk. U wilt bewijs? Dit hele stuk is geschreven met mijn mooiste akoestische gitaar, een Atkin L-36, op schoot.

Heytzes Gitaartoerisme-playlist op Spotify: https://tinyurl.com/y45ongog