Opinie

De cultuur heeft onze betrokkenheid nodig, juist nu

Coronacrisis Hoe erg de cultuursector er als geheel voor staat weten we niet, schrijft hoogleraar culturele economie Arjo Klamer. Maar waarom lijken mensen in dit land er zo weinig voor over te hebben?

Stel eens voor dat we een land zouden zijn zonder cultuur. Een land zonder koren, zonder musici, zonder toneel, zonder concerten, zonder festivals. Wat zouden we zijn? In deze coronatijd is dat feitelijk al de situatie. En? Hoe erg is dat?

Cultuur is wat mensen doen om betekenis en zin te geven aan hun leven. Dat kan zijn het spelen van Bach, het beoefenen van een religie, opgaan in een sport, bezig zijn met Nederlandse geschiedenis, boeken en kranten lezen, je onderdompelen in de wereld van toneel, films maken en kijken, of het zingen in een koor. Culturele activiteiten zetten het dagelijkse leven in een breder, groter perspectief, zoals Inez Weski afgelopen zondag duidelijk maakte in het tv-programma Zomergasten. Is het in dat licht niet gek dat zo weinig mensen zich momenteel druk maken over het wegvallen van zoveel cultuur? Waarom lijken mensen in dit land er zo weinig voor over te hebben?

Illustratie Kamagurka

Dat de bestrijding van een virus voorgaat, is begrijpelijk. Dat is een kwestie van overleven. Dat de economische terugslag veel aandacht krijgt, is dat ook, want we hebben middelen nodig om te kunnen leven. Maar hoe belangrijk zijn KLM en de boeren nu werkelijk dat zij zoveel meer aandacht en steun krijgen dan activiteiten die zin en betekenis toevoegen aan het leven?

Een sterke economie kent een sterke cultuur

In de culturele economie zeggen we dat cultuur en economie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Een sterke economie kent een sterke cultuur. Dat verklaart waarom de Amerikaanse cultuur sinds het begin van de vorige eeuw zo dominant is in een groot deel van de wereld, met haar films, haar muziek, schilderkunst en literatuur. Ooit was dat ook in Nederland zo, toen kooplieden veel overhadden voor de kunsten. Wat doet vermogend Nederland nu voor de kunsten?

Werkloos

Dat de kunsten een moeilijke tijd beleven, moge duidelijk zijn. Muzikanten en acteurs zitten werkloos thuis. Jazzviolist Tim Kliphuis, die in normale tijden wereldwijd concerten geeft, heeft moeten toezien hoe zijn agenda tot in het komend jaar leeg geveegd is. Siemen Verbruggen, die jaarlijks met maximale inspanning en minimale inkomsten het MadNes Festival organiseert op Ameland, moet maar afwachten of het volgend jaar wel kan. Hoe te overleven in de tussentijd? Die vraag stellen vooral ondernemende kunstmakers. Zij zijn afhankelijk van eigen inkomsten die nu wegvallen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Marc van Kaam, directeur van het Luxortheater in Rotterdam. Zijn bedrijfsplan gaat uit van een flinke kaartverkoop die er voorlopig niet is. Een anderhalvemeterregel is financieel onhaalbaar. Gesubsidieerde kunstmakers zoals orkesten en theatergezelschappen hoor je niet want hun subsidie loopt gewoon door.

Feiten over de huidige toestand in de cultuursector zijn er nauwelijks. Belangenclubs komen met alarmerende cijfers. Een op de vier museums zou permanent dicht kunnen gaan als het virus nog lang bezig is, volgens de Museumvereniging; het gaat dan vooral om kleinere musea die afhankelijk zijn van eigen inkomsten. De Creatieve Coalitie, opgericht om de belangen van beroepsbeoefenaars van de kunsten te behartigen, stuurde begin juli een brandbrief naar de minister. Podiumkunstenaars zouden in 2020 gemiddeld 20.000 euro mislopen. De Coalitie baseert zich op een onderzoek van Kunsten ’92, waaruit blijkt dat de overheidsregelingen (TOZO, tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemer, met een maximum van 1.500 euro; TOGS, tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren, met een maximum van 4.000 euro en Tegemoetkoming Vaste Lasten, met een maximum van 50.000 euro per vier maanden) slechts een beperkte groep bereikt.

Illustratie Kamagurka

De 300 miljoen euro die het kabinet specifiek voor de culturele sector heeft vrijgemaakt, komt vrijwel uitsluitend bij gesubsidieerde kunstinstellingen terecht. Bijna de helft van de zzp’ers in de podiumkunsten ontbeert iedere vorm van steun; die kunstmakers maken zich grote zorgen over hun financiële situatie, blijkt uit het onderzoek van Kunsten ’92. 6 procent is nu al wanhopig. Maar hoe erg de sector als geheel ervoor staat, weten we niet. Ook het ministerie van OCW heeft de cijfers niet.

Nog minder weten we hoezeer mensen het theater, de festivals en de concerten missen. Wij economen spreken van ‘optiewaarde’: hoe waarderen mensen de optie om naar een voorstelling te kunnen gaan, of hoe erg is het als ze die optie niet hebben? De bereidheid om geld van gekochte kaartjes niet terug te vragen, geeft iets van de optiewaarde aan. Uit navraag in de sector blijken mensen die geboekt hadden tot op zekere hoogte bereid genoegen te nemen met een voucher. Een enkeling doneert een extra bedrag. Sympathiek was de actie van AOW’ers om hun vakantiegeld te doneren aan de kunsten. Dat leverde ruim een miljoen op (die de minister matchte uit de pot van 300 miljoen). Maar wat zegt dat over het gemis aan al die geannuleerde voorstellingen en festivals?

Het enige onderzoek waar ik weet van heb, is van Rotterdam Festivals. Daaruit blijkt dat driekwart van de mensen de gezamenlijkheid van voorstellingen, bioscopen en festivals mist. Dat online cultuuraanbod compensatie biedt maar geen alternatief is. Ook blijkt dat men slecht op de hoogte is van wat er zoal gebeurt, en dat het gevoel betrokken te zijn beperkt is.

Na jarenlang onderzoek naar de wereld van kunst en cultuur heb ik geconcludeerd dat cultuur en in het bijzonder de kunsten bloeien naarmate de betrokkenheid en gezamenlijkheid groter zijn. Dat spreekt op zich vanzelf: zin en betekenis nemen toe wanneer mensen ze gezamenlijk beleven en wanneer ze betrokken zijn. Zou het kunnen dat juist deze tijd het belang van gezamenlijkheid en betrokkenheid gaat benadrukken? En dat de kunst en cultuur daar beter van worden en het besef van zin en betekenis toeneemt?

Illustratie Kamagurka

‘Moedig en voortvarend.’ ‘Vindingrijk.’ Aldus wat karakteriseringen van makers en producenten in de cultuursector die ik hoor. In deze tijd van grote onzekerheid zijn makers en producenten druk doende er het beste van te maken. Zou dit de tijd kunnen zijn van een reset? Van een andere aanpak? Dit is wat ik zoal aan bewustwording tegenkom.

Het besef dat overheidssteun niet zaligmakend is, dat inkomsten uit de markt (kaartverkoop, cd-verkoop) voor de meeste kunstenaars ontoereikend blijven (en helemaal kunnen wegvallen, zoals nu) en dat daarom georganiseerde steun uit de samenleving meer en meer nodig is.

Dat het eindeloos vooruitplannen, met programmering die een jaar lang vaststaat, plaats kan maken voor meer flexibiliteit en voor programmering met wat op dat moment speelt.

Dat voorstellingen korter kunnen zijn, en op verschillende tijden op de dag kunnen plaatsvinden.

Dat een theater als Luxor behalve een podium ook een ontmoetings- en werkplek moet zijn voor Rotterdammers.

Maar vooral ook dat vorm en inhoud van de kunsten meer moeten inspelen op wat mensen nodig hebben, dat kunstmakers nadrukkelijker bezig moeten zijn met het betekenis en zin geven, opdat de kunsten steeds onmisbaarder worden.

Zodat mensen bewuster om de kunsten geven en dan ook bereid zijn genereus en vrijgevig te zijn.

De urgentie van deze crisis genereert, zo bespeur ik, veel creatieve energie in de culturele sector. Het gaat erom de gezamenlijkheid en betrokkenheid te realiseren die nodig is voor een hoogwaardige cultuur. Daarom is het zo belangrijk dat kunstminnend Nederland alert is op alles wat nu gebeurt en vrijgevig is. De wereld van de kunsten heeft dat nodig. Juist nu.

Arjo Klamer is hoogleraar culturele economie em.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.