Recensie

Recensie Film

‘Sing Me a Song’ doet verlangen naar een utopisch verleden

Documentaire De Franse regisseur Thomas Balmès filmde al eerder in het bergdorpje Laya in Bhutan. Zijn nieuwe documentaire stemt weemoedig – maar waarom eigenlijk?

Ook bij monniken doet het moderne leven zijn intrede, in ‘Sing Me a Song’.
Ook bij monniken doet het moderne leven zijn intrede, in ‘Sing Me a Song’.

Op een avond valt de jonge Bhutaanse monnik Peyangki in slaap en tien jaar later wordt hij wakker van het geluid van zijn mobiele telefoon. Even later luidt hij de gong voor het ochtendgebed bij het licht van zijn smartphone en chanten de jonge novices hun ochtendgebed terwijl ze ondertussen een spelletje spelen. Die kleine montagesequentie in de observerende documentaire Sing Me a Song van de Franse filmmaker Thomas Balmès biedt genoeg stof om uren over na te praten.

Balmès filmde tien jaar geleden ook al in het bergdopje Laya, de laatste Himalayagemeenschap waar elektriciteit, televisie en internet werden ingevoerd en ergens begin 21ste eeuw een moderniseringsinhaalslag plaatsvond. Hij deed er verslag van in Happiness (2013), maar ook zonder die film te kennen laat Sing Me a Song zich prima bekijken.

Het zijn beelden die we uit veel documentaires van de afgelopen decennia kennen die ‘onbekende’ werelden aan een voornamelijk westers festivalpubliek willen laten zien. Ze zijn soms bijna surrealistisch, zoals bovenbeschreven scènes; vaker stemmen ze weemoedig. Maar waarom eigenlijk? En hoe is dat in de afgelopen tien jaar veranderd, nu het thema van traditie versus vooruitgang niet meer vanzelfsprekend in het voordeel van de ‘vooruitgang’ wordt beslecht? Maar nu ‘nostalgie’ evenmin een onbeladen begrip is?

Sing Me a Song is niet helemaal expliciet in hoeverre de blik op het leven van de inmiddels achttienjarige Peyangki liefdevol of kritisch is. Wil Balmès via Peyangki kritiek leveren op onze afhankelijkheid van techniek; onze verslaving aan de vierentwintiguursillusie van verbondenheid, terwijl Peyangki door zijn vriendinnetje in hoofdstad Thimpu onwetend wordt gehouden over het feit dat ze een alleenstaande moeder is die als animeermeisje in een bar werkt?

Daarnaast verlustigt de film zich in z’n eigen esthetiek van derdewereldkitsch: de interventie van schotelantennes en benzinestations in het ongerepte mistige landschap is fascinerend en prachtig, maar past ook perfect op een ansichtkaart of Insta-foto. Die ambiguïteit maakte de film prikkelend, maar soms kan alleen maar observeren ook iets onbewust moralistisch hebben. Want het westerse doelpubliek is allang geframed om via de schoonheid van die beelden te verlangen naar een utopisch verleden.