Reportage

De dijk houdt het beter met ander gras

Droogte in Nederland Periodes van droogte zullen vaker voorkomen. Nederland moet zich aanpassen. Aflevering 4 uit een serie: raaigras, zwenkgras, glanshaver en knoopkruid op de dijk .

Pieter Jeuken (links) en Cyril Liebrand bekijken de begroeiing op een dijk.
Pieter Jeuken (links) en Cyril Liebrand bekijken de begroeiing op een dijk. Foto’s Merlin Daleman

Bioloog Cyril Liebrand aait met zijn handen langs hoge grassprieten. We lopen over een rijk begroeide dijk bij St. Agatha, een dorp net onder Cuijk, op de grens van Brabant en Limburg. In de verte stroomt de Maas. Liebrand somt de soorten op die hij ziet: glanshaver, reukgras, goudhaver, knoopkruid, geel walstro, geoorde zuring. En „een tikkie bijzonder”: grasklokje en rapunzelklokje. „Stiekem staan hier misschien wel vijftien soorten gras, en nog eens vijftien soorten kruiden”, zegt hij zichtbaar genietend.

Zo’n soortenrijke begroeiing maakt dijken beter bestand tegen droogte en erosie, vergeleken met het standaard grasmengsel waarmee ze al veertig jaar worden ingezaaid. D1 en D2 heten die cocktails. Het zijn mengsels met vooral Engels raaigras en rood zwenkgras. Eventueel , zegt Liebrand, zit er nog een klein beetje witte klaver bij. Ze zijn ooit gekozen als dijkbescherming, zegt Liebrand, maar ook voor veevoer. Nadeel is dat deze soorten vrij ondiep wortelen. Ze houden de grond daardoor minder goed bij elkaar dan het soortenrijkere mengsel, dat op verschillende diepten wortelt. De eenvoudige mengsels houden water ook minder goed vast. „We moeten D1 en D2 zo snel mogelijk vervangen”, zegt Liebrand. Want bij zo’n droogte zoals dit voorjaar, en de zomers van de afgelopen twee jaar, krijg je met een eenvoudig grasmengsel sneller droge, kale plekken. „En op die plekken kan een dijk daarna bij zware regenval, of bij hoge waterstanden, eroderen en schade oplopen”, zegt Pieter Jeuken, dijkbeheerder bij waterschap Aa en Maas, die ook meeloopt.

Scheuren

Nederland werd er in de warme zomer van 2003 aan herinnerd wat droogte kan doen met een dijk. Het veen van de ringkade bij Wilnis was uitgedroogd geraakt, had daardoor veel gewicht verloren en er waren scheuren in gekomen. Hij was daarna niet overal meer bestand tegen de druk van het water uit de ringvaart. Er ontstond een bres van zestig meter breed, het stuk dijk werd eenvoudigweg verschoven. De ringvaart liep leeg, huizen verzakten, aansluitingen voor gas en stroom braken af.

Als gevolg van deze dijkdoorbraak moeten sinds 2006 de regionale (secundaire) waterkeringen, zoals de ringdijk bij Wilnis, strenger worden gecontroleerd, onder andere op de bekleding. Nederland telt 14.000 kilometer van zulke regionale waterkeringen – de dijk bij St. Agatha is een primaire waterkering, waarvan Nederland zo’n 3.600 km heeft.

De laatste jaren komt er meer aandacht voor de begroeiing van dijken, weet Liebrand, die waterschappen door het hele land erover adviseert. „De een is vooruitstrevender dan de ander.” Jeuken zegt dat het niet alleen door de dijkdoorbraak bij Wilnis komt. Ook het besef dat de insecten zo sterk achteruit zijn gegaan, speelt mee. Biodiversiteit krijgt meer aandacht. „Voor het toenemend aantal fietsers dat door de uiterwaarden trekt oogt dat ook mooier.”

Bij droog weer heeft de vegetatie op deze dijken relatief snel te kampen met watertekort

Cyril Liebrand bioloog

In St. Agatha is de situatie wel heel anders dan in Wilnis, benadrukt Jeuken. In het oosten van Nederland zijn de dijken niet van veen, ze hebben een kern van zand waarop, aan de rivierzijde, een laag verstevigende klei van tachtig centimeter dik is aangebracht. Aan de landzijde is die laag zo’n twintig centimeter dunner. Bij warm en droog weer heeft de vegetatie op deze dijken relatief snel te kampen met watertekort, en ontstaan er kale plekken, vult Liebrand aan. Waterschappen willen dat voorkomen. „Anders zijn ze, bij voorspelling van hoogwater, verplicht om beschermende matten aan te brengen die erosie en afkalving moeten voorkomen. Die matten zijn duur.” Liebrand weet bijvoorbeeld dat de droogte van de afgelopen jaren voor problemen heeft gezorgd op delen van de IJsseldijk tussen Deventer en Zwolle, en al helemaal op de zandige dijken van de Overijsselse Vecht. „In 2018 en 2019 is daar een deel van de dijkvegetatie afgestorven.”

Jeuken vertelt wat ze in St. Agatha allemaal aan het uittesten zijn. De landzijde van de dijk, het binnentalud, wordt nog maar één keer per jaar gemaaid, en niet langer twee keer. „Dat talud heeft een vrij zandige toplaag die snel uitdroogt omdat de zon er steeds op staat. Als je maait en het maaisel afvoert, haal je voedingsstoffen weg. Je riskeert open plekken.” De dijk wordt ook niet meer in één keer gemaaid, maar in fases. „Zodat de insecten steeds plekken hebben waar ze nog voeding en schuilplekken kunnen vinden.” Jeuken heeft aan de landzijde ook stroken geselecteerd die ongemaaid de winter in gaan. „Ook om insecten een schuilplek te geven.” Vanaf de soortenrijke plek waar we nu staan, zegt hij, is vorig jaar ook maaisel, met zaad erin, overgebracht naar andere, slechter begroeide stukken, enkele honderden meters verderop. „Via die zaden verspreid je de regionale vegetatie, en introduceer je geen vreemde soorten.” In de winter wil hij sommige schrale stukken ook bemesten met een speciaal soort compost, bokashi. En hij bekijkt hoe, en wanneer, hij de vegetatie het beste kan laten begrazen door schapen.

Liebrand stelt voor naar een ander stuk dijk te gaan, een kwartier rijden verderop, in Cuijk. Als we er zijn, begint hij meteen weer te scannen. „Eind mei was het binnentalud, dat hier ook op het zuiden ligt, al aardig verdroogd.” Maar na de regen van afgelopen periode kiemt er gelukkig weer van alles; smalle weegbree, zachte ooievaarsbek.

Tien centimeter van de grond

Verderop graast op de uiterwaard een groep brandrode runderen. Een plezierboot vaart langs. Liebrand vertelt dat dit het eerste stuk dijk in Nederland is dat aan Kleurkeur meedoet, een initiatief dat oorspronkelijk is opgezet voor wegbermen, en meer biodiversiteit nastreeft. „We maaien hier niet meer op vijf centimeter hoogte van de grond”, zegt Jeuken, „maar op tien centimeter.” Het idee is dat het voor meer schaduw zorgt, wat uitdroging vermindert en gunstig is voor bepaalde kruiden.

Jeuken benadrukt nog eens hoe het dijkbeheer aan het veranderen is, hoewel waterveiligheid „natuurlijk” het belangrijkst blijft. „Het is veel meer maatwerk geworden.” Een voorbeeld is de dijk bij Grave, zo’n tien kilometer verderop. Op plekken staat die vol met raapzaad. Het gaat ten koste van het gras. „De zode wordt te open.” Maar als je raapzaad bij de grond afmaait, haal je ook alle andere gras- en kruidensoorten weg. „De raapzaad komt dan net zo hard weer terug.” Daarom is er nu gemaaid met een maai-zuig-combinatie, zegt Jeuken. De machine maait op veertig centimeter hoogte, en zuigt meteen de zaden op. „Eens kijken hoe dat werkt.”