Ze moet jong zijn, en verder gewoontjes

De Golf | Aflevering 9

Met het oog op de zeespiegelstijging kochten schrijver Bruno en academica Loes een woonschip. Een feuilleton van .
Illustratie Olivia Ettema

Het laatste stukje fietst Bruno zo hard mogelijk. Schuin tegenover Jobs praktijk woont iemand die hoog is bij de facilitaire dienstverlening van de universiteit van Loes. Ze heet Yoeki en hij heeft haar al een paar keer gezien achter het raam waar ze deze zomer praktisch zit vastgelijmd. Hij wil niet dat ze hem weer ziet.

Helaas, dit keer staat ze zelfs midden op de weg. Hij stopt, hij moet wel. Ze komt veel te dicht bij hem staan en met de fiets kan hij niet goed opzij. Sorry, anderhalve meter, alsjeblieft! Hij heeft hier een afspraak, meer vertelt hij niet. Ze doet alsof ze een oude vriendin is, wat niet het geval is. Ze kent allerlei mensen uit de academische wereld, mensen die zij ook kennen. Het zint hem niks dat ze hem bij Job naar binnen ziet gaan.

Job vraagt hem opnieuw naar zijn seksleven en Bruno zegt voor de tweede keer dat daar sinds Ollie weinig interessants over te vertellen valt. Of is het al de derde keer? „Ik schrijf er ook niet meer over”, zegt hij. „Het is saai. Iedereen weet hoe het gaat. En de niet-weters hoeven het niet meer uit een boek te leren”.

Leefde zijn moeder nog maar, zij had eindigheidsbesef

Job niest tegen zijn schouder. „Sorry”, zegt hij met geknepen stem, en niest nog eens. Hij schudt zijn hoofd als een natte hond. „Geen corona, hoor”, zegt hij. „Er zit iets in de lucht”. Hij grijpt naar zijn broekzak en haalt er een rode zakdoek uit. Maar hij snuit zijn neus niet. Hij stopt het doekje ongebruikt weer terug, en zegt: „Waar waren we gebleven?”

Bruno kucht ook even. Hij begint over de studente, Nancy. „Eerst dacht ik, wat bijzonder dat iemand komt vragen naar mijn werk”. Hij vertelt Job hoe hij altijd meer had gehoopt dan geweten dat het zin en betekenis had wat hij deed. Daarom werkte hij altijd dubbel zo hard om de keuze voor het schrijverschap zo zinvol mogelijk te maken.

„Dit meisje verraste me met haar interesse. Tot ze me begon te ondervragen over een bepaald woord dat ik had gebruikt. Vroeger zou ik misschien vereerd zijn geweest. Toen ik zelf woorden ook nog serieus nam, bedoel ik. Nu denk ik: seksisme, kolonialisme. We gaan in dit land discussiërend ten onder”.

Hij gaat over op geklaag in het algemeen. „De helft van het land valt over wie wat over welk ras heeft gezegd op YouTube of de televisie, en de andere helft loopt klinisch dood met de bladblazer rond. Niemand ziet de schaar boven zijn eigen draad”. Leefde zijn moeder nog maar, zij had eindigheidsbesef. Zijn vader niet.

„Over jouw vader hebben we het nog niet gehad”, zegt Job. „Wat is hij voor iemand?”

„Gewoon. Die wil voetbal en een biertje. Hij hoopt nog op de liefde ook. Allerlei lekkerkijkende types komen er op zijn scherm. Hij heeft een heel duidelijk beeld van de vrouw voor zijn oudedag. Ze moet jonger zijn dan hij, en verder gewoontjes”. Nee, zijn vader ziet nog geen onweersbui aankomen.

En van Loes mag hij geen deprimerende gedachten meer ventileren. „Bewaar die maar voor de dinsdag, zegt ze”.

„Vind je haar eigenlijk aantrekkelijk?” vraagt Job na een stilte.

„Loes?” Maar nee, Job heeft het over die studente.