Waarom wijnliefhebbers in de zesde eeuw hun zoete ‘Gaza-wijn’ niet meer konden drinken

Archeologie Door druivenpitten te tellen, ontdekten archeologen dat de Romeinse wijncultuur in de Negevwoesteijn instortte in de zesde eeuw.

Gedeelte van een zesde-eeuwse mozaïekvloer uit een kerk waarop een man een kameel leidt die met wijnamfora’s beladen is.
Gedeelte van een zesde-eeuwse mozaïekvloer uit een kerk waarop een man een kameel leidt die met wijnamfora’s beladen is. Foto Imageselect/Alamy

De bloeiende Romeinse wijncultuur in de Negevwoestijn in de late oudheid verdween door een economische crisis in de zesde eeuw, waardoor de handelsstromen zwakker werden en de vraag naar de bijzondere wijn wegviel. Dit blijkt uit onderzoek door Israëlische archeologen van in totaal elf afvalhopen op drie plaatsen in de westelijke Negev waar wijn verbouwd werd. Dat gebeurde in Nessana, Shivta en het lokale bestuurscentrum Elusa, in totaal een gebied van ongeveer twintig kilometer doorsnee. Scherven van het karakteristieke aardewerk waarin de wijn werd vervoerd, zijn teruggevonden tot in Duitsland, Frankrijk, Groot-Britannië én Jemen. De archeologen onder leiding van Daniel Fuks (Bar-Ilan University, Ramat Gan) beschrijven hun onderzoek deze week in de PNAS.

Door de nieuwe chronologie is nu ook duidelijk dat de wijngaarden niet in verval raakten door de verovering door het islamitische kalifaat in de zevende eeuw, zoals tot nu toe vaak werd verondersteld. De onderzoekers brachten de verhouding in kaart van verkoolde graankorrels en druivenpitten in afvalhopen van de tweede tot achtste eeuw. Die verhouding dient als indicatie van de verhouding tussen zelfvoorzienende landbouw (gerst en tarwe) en productie voor de markt. Alleen met zorgvuldige verzameling en opslag van regenwater (jaarlijks slechts 50 tot 150 milimeter) is het mogelijk in dit gebied grootschalige landbouw te bedrijven. Uit de vijfde en zesde eeuw zijn in de Negev vrij veel regenwaterkanalen en dammen bekend. Met duivenpoep, uit speciale duiventorens, werd de grond bemest.

Lees ook: De Romeinse pestepidemie die geen pestepidemie was

Zoete en witte ‘Gaza-wijn’

Vooral in de vierde tot en met de zesde eeuw vormde de zoete en witte ‘Gaza-wijn’ (vinum gazetum – genoemd naar de belangrijkste uitvoerhaven) een belangrijk exportproduct. De archeologen concluderen dat deze ongekende bloei van de wijnhandel in de Negev een ‘anomalie’ was, een afwijking van het gewone patroon die weliswaar tweehonderd jaar duurde, maar toch „onhoudbaar” bleek. Na 550 wordt weer vooral graan verbouwd, „een terugval naar het eeuwenoude patroon van kleinschalige dorpjes en zelfvoorzienende landbouw”. Deze opkomst en ondergang van de ‘Gaza-wijn’ „biedt daarom een unieke getuigenis van de globalisering van een antieke productie-economie in een marginale omgeving”.

De groei van de wijnteelt in het woestijngebied blijkt nauw samen te hangen met andere indicatoren van interregionale handel in het gebied. De ‘Gaza-wijn’ werd bijvoorbeeld bewaard in twee types amfora’s: de ‘Gaza-pot’ en een ‘zakvormige’ pot. De ‘Gaza-pot’ is door zijn vorm erg geschikt voor vervoer op dromedarissen, menen sommige onderzoekers. Dat wordt bevestigd door verschillende mozaïeken uit het gebied van woestijndieren belast met precies dit type amfoor. De grotere ‘zakachtige amfoor’, perfect voor opslag, lijkt minder geschikt voor vervoer. De scherven van de twee amfoorvormen in de afvalhopen vormen aldus ook indicatie voor lange-afstandshandel: hoe meer Gaza-potten, hoe meer vervoer naar de havensteden Gaza en Askelon en verder de wereld in.

Regenopvangbouwwerken

Uit de graan-druiven-verhouding blijkt dat in de derde eeuw voor het eerst aan wijnbouw wordt gedaan. In de vijfde eeuw is de productie aanzienlijk, met een hoogtepunt in het midden van de zesde eeuw en vervolgens snel verval. Deze chronologie wordt bevestigd door eerdere onderzoeken in de Negev die uitwezen dat de regenopvangbouwwerken een hoogtepunt kenden in de vijfde en zesde eeuw. De nederzetting Shivta breidde rond deze tijd flink uit. Na het midden van de zesde eeuw verdwenen de duiventorens in Shivta en het nabije Sa’adon.

Overigens worden nu opnieuw druiven geteeld in hetzelfde gebied in de Negev. Toen de wijnboeren er twintig jaar geleden begonnen met de teelt op oude terrassen, zagen ze zelfs „met de eerste regen de oude irrigatiesystemen tot leven komen”, zo valt te lezen op de website van wijngaard Carmey Avdat. De moderne wijngaard, waar cabernet sauvignon- en merlot-druiven verbouwd worden, wordt overigens ook bevloeid met ontzout zeewater uit Askelon.

Mogelijk is er ook invloed van klimaatverandering op de ondergang van de Romeinse Negev-wijngaarden, maar de toenemende vochtigheid in de zesde eeuw en bijbehorende toename van plotselinge overstromingen zou de waterverzameling voor de wijnteelt ook ten goede hebben kunnen komen. Er is waarschijnlijk wel een duidelijk verband met de economische crisis in het Byzantijnse rijk in de tweede helft van de zesde eeuw. Die crisis hield mogelijk verband met de ‘Justiniaanse pest’ van het jaar 541, maar ook met toenemende oorlogen met het Perzische rijk van de Sassaniden, dat begin zevende eeuw tot een verwoestende oorlog leidde die het Byzantijnse rijk ternauwernood overleefde.

Aanvulling (29 juli 2020): toegevoegd is de alinea over de huidige wijnbouw in de Negev.