Opinie

Ook toptalentjes hebben recht op plezier in hun sport

Jeugdsport Voor jong turntalent hoorde intimidatie en erger van coaches erbij, lijkt het. Ontwikkel training die uitgaat van het kind, adviseert .
Foto Robin Utrecht/ANP

Turncoach Gerrit Beltman wordt ervan beschuldigd dat hij jarenlang de topjeugd in het turnen heeft gekwetst, gekleineerd en vernederd. Hij was, stelde hij tot zijn verdediging, ervan overtuigd dat het zo moest. Zou hij het anders aanpakken, dan zou hij zijn werk niet goed doen. Dan was het „te zacht” en er waren „te veel keuzemogelijkheden”.

Inmiddels zijn er vergelijkbare beschuldigingen geuit aan het adres van turntrainer en bondscoach Vincent Wevers.

Dat Beltman in het openbaar reageert op de beschuldigingen, benoemt dat hij zich schaamt en in gesprek wil met de pupillen die daar behoefte aan hebben, is iets wat de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie met beide handen aan zou moeten grijpen om in actie te komen. Als deze fouten niet worden onderzocht en aangepakt, zal er geen ruimte zijn voor verandering, niet voor voortschrijdend inzicht bij coaches, trainers en ouders noch voor verbetering van de sport- of turncultuur.

Het rommelt al langer. Vorig jaar werd de documentaire 2Doc: Turn! vertoond, van de hand van turnouder en documentairemaakster Esther Pardijs, wat een fascinerende inkijk in de turnwereld opleverde. Haar zoon wilde eigenlijk liever met vriendjes spelen dan naar de turntraining en de emoties lopen hoog op.

Lees ook: ‘Ik werd over de grond gesleurd, aan mijn nek omhoog getild, tegen de muur gesmeten’

De vraag in de film is: Hoe ga je als ouder om met een zoon of dochter die wordt geselecteerd voor Jong Oranje? Hoe herken je of wellicht jouw ego overweegt bij het nastreven van het succes van je kind?

Doorgeduwde spagaat

Een hoofdrolspeler uit de documentaire, trainer-coach Arjen Butter, kreeg naar aanleiding van de beelden de wind van voren. Hij zou kinderen tot het uiterste hebben gepusht. Zo is in de documentaire te zien hoe een van de turnjongens in spagaat ligt en wordt doorgeduwd. Hij probeert steeds dieper te zakken, maar fluistert herhaaldelijk met zijn laatste krachten: „stop”. Vervolgens zegt zijn vader: „Misschien is dat een verkapte vorm van pressie: dat ik gewoon het beste voor hem wil”.

Hier wordt blootgelegd waar het ook bij Beltman om draait: de volwassenen hebben de macht en zíj zijn ervan overtuigd dat het zo moet, want zíj willen het beste voor het kind. Het lijkt erop dat zij het kind niet beschouwen als een mens die nieuwe dingen wil leren en plezier wil maken, maar als een project met potentie tot succes.

Turncoach Arjen Butter onderging een vergelijkbare aanpak toen hij zelf in Jong Oranje zat. Hij ervoer die tijd als een feestje, voor hem was het logisch om het als coach niet anders te doen.

De jeugdsport draait om spel, plezier en het leuk hebben met leeftijdsgenoten. Als je met die ingrediënten wordt gedrild en uitgedaagd om het maximale uit jezelf te halen, dan kijk je er, net als Butter, meestal op terug met een glimlach en een voldaan gevoel.

Dat plezier houden we voor vanzelfsprekend: topsporters doen immers wat ze het leukst vinden. Maar het zou eigenlijk andersom moeten zijn. Deze talentvolle sporters doen iets wat ze ontzettend leuk vinden en daarmee bereiken ze de top. De meesten halen overigens de absolute top niet, maar ze hebben wel met plezier hun sport beoefend.

Dat volwassenen bepalen hoe zij kinderen het beste rijp voor de top kunnen maken, is nog steeds het fundament van het sportbeleid van vandaag. Kinderen stromen in talentontwikkelingsprogramma’s in en worden na gedane zaken afgeleverd aan topclubs en verenigingen. Kortom: we produceren talenten. Naar de ervaringen van talenten die het niet halen wordt niet gevraagd, die waren eenvoudigweg „niet goed genoeg”.

Spelenderwijs

Maar is dat traject wel houdbaar, gezien de recente onthullingen over vernedering en geweld die veel weg hebben van het topje van de ijsberg?

Als het aan mij ligt, is het tijd voor verandering. Laten we transparante gegevens en resultaten analyseren, in samenspraak met de talenten. Dat kan de basis zijn voor nieuw beleid, en voorkomen dat de geschiedenis zich blijft herhalen.

Zoek daarbij uit wat kinderen leuk vinden. In een grootschalig opinie-onderzoek onder 20.000 jonge sporters in 1990 (Troubling Signals from Youth Sports) werd de vraag gesteld waarom ze deelnamen aan sport. Daar bleek dat plezier op de eerste plaats stond en winnen op plek tien. Dus: werk vanuit plezier en laat hen zich spelenderwijs ontwikkelen. Gebeurt dat niet of amper, dan raken talenten geblesseerd, stromen ze uit naar een andere sport of ze stoppen helemaal. Voor de talenten die de top halen en daar weten te blijven is plezier een soort brandstof voor de voortgang van hun prestaties en leidt tot duurzamere carrières.

De hamvraag is niet alleen wie het beleid inricht, maar vooral voor wie dat wordt ontwikkeld. Jagen volwassenen hun eigen behoeften en ambities na via de kinderen, of werken ze aan het vervullen van de dromen van die kinderen?

Laten we vol respect voor het jeugdige elan op een liefdevolle manier ruimte maken voor de ontwikkeling van talent. In de jeugdsport kan het uiteindelijk niet om iets anders draaien dan om de kinderen die zoveel van die sport houden dat ze er bijna alles voor over hebben.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.