Opinie

Man van cursusleidster

Marcel van Roosmalen

Sinds kort geeft mijn vriendin een schrijfcursus aan huis. Aan de met lood verzwaarde keukentafel, die ik de avond ervoor telkens met haar naar de woonkamer sleep. De woonkamer wordt daarna zorgvuldig gereinigd, de kinderen en ik mogen er niet meer eten of drinken.

’s Morgens verschans ik me op zolder, maar af en toe moet ik er toch doorheen.

De vernedering is dat ik de eerste keren nog dacht dat ik misschien een extraatje was, een onverwachte kers op de taart, ik schrijf tenslotte beroepshalve ook columns. Dat is niet zo, weet ik inmiddels, de cursisten zien me in het beste geval als een zonderling, de man van de cursusleidster.

Ik stoor, en dat voelt ongemakkelijk.

Aan mijn kleding ligt het in ieder geval niet.

„Niet in joggingpak er doorheen denderen.”

Die boodschap had ik onthouden.

Ik ben compleet overdressed voor de activiteiten die ik heb gepland.

Daar stond ik dan bij die tafel met vrouwen, in mijn pak, het was er al behoorlijk persoonlijk aan toegegaan.

Ik keek naar haar, trots, ze ziet er dan geweldig uit en is duidelijk in haar element als leidster van de roedel.

„Ach, daar is hij dan, De Man…”

Daarna tegen mij: „Waar ga je naar toe, Pluis?”

Dat koosnaampje is genoeg om me terug te brengen tot mijn ware proporties. Ik ben een heel klein kaboutertje dan, een atoom, een zandkorrel op een breed strand; dit is de straf voor mijn dominante gedrag, en ik voel dat ze ervan geniet.

Een van de cursisten, een vrouw in een groen shirt, zei de laatste keer dat ze vond dat ik een mooi pak aan had. De rest van de groep murmelde instemmend. Ze voelde aan een mouw.

„Wat voor kleur is dit?”

„Ook groen”, zei ik zo vriendelijk mogelijk.

Het werd grappig bevonden.

Dieptepunt was de keer dat ik onze dochter dwars door een stuk theorie heen sleepte. Ze moest naar de opvang, maar had geen zin. Zwetend, maar toch vriendelijk knikkend, kweet ik me van mijn taak.

Zij: „Ik ga hier geen grapje over maken.”

De groep lachte net iets te hard.

Toen ik weer thuiskwam, bleef ik eerst een tijdje met mijn fiets voor de poort hangen, ineens wist ik weer waarom ik ooit rookte. Ik denk dat ik er toen wel twee achter elkaar had gelust, maar ze had me al gezien. Ze zwaaide, ik stak mijn hand op, de meeste cursisten deden alsof ze dat niet bijzonder vonden.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.