Recensie

Recensie Beeldende kunst

Het succes van de kleermakerszoon die opgroeide met honger

Antonio Mancini De tentoonstelling vertelt het verhaal van Mancini vanaf zijn vroege werk tot de monumentale portretten die hij later maakte van zijn bewonderaars.

Antonio Mancini, ‘Zelfportret in het atelier’ (ca. 1878).
Antonio Mancini, ‘Zelfportret in het atelier’ (ca. 1878). Foto Galleria d’Arte Moderna di Palazzo Pitti, Florence

Het waren altijd al wonderlijke verschijningen in De Mesdag Collectie: de schilderijen van Antonio Mancini (1852-1930). Tussen alle grijze Hollandse stranden van de Haagse School zag je soms ineens zo’n donker interieurschilderij, waar zware stoffen samenvielen met dikke verf. Schilderijen als Perzische tapijten zoals een tijdgenoot eens opmerkte, een luxueuze benauwdheid waar Mancini Eline Vere-achtige personages lusteloos in liet rondhangen.

Hij hield dusdanig van lekker pasteuze verf dat hij er zelfs stukjes glas in verwerkte, waarna een Amsterdamse tentoonstelling in 1912 een persiflage exposeerde met sinaasappelschillen en kralen erin. Zulke aandacht geeft aan dat de Italiaan intussen bekend was in Nederland, en dat had hij te danken aan Hendrik Willem Mesdag. Die was behalve schilder een gefortuneerd zakenman en had in 1876 zijn schilderij van een ziek kind gekocht. In de tentoonstelling Mancini. Eigenzinnig & Extravagant zie je hoe knap Mancini het geknakte kind portretteerde met zowel vermoeidheid als veel innerlijk leven, het zieke lijf tegen opnieuw veel zware draperieën aan gevlijd.

Lees ook: In het spoor van de getroebleerde schilder Mancini

Succesverhaal

Een goede aankoop van Mesdag en in 1885 verwees hij ernaar in een brief aan Mancini. Daarin bood hij hem zo ongeveer een jaarsalaris in ruil voor meer schilderijen – hem daarbij de vrije hand gevend. Zo begon een samenwerking die twintig jaar zou duren en waarbij ze elkaar, wonderlijk genoeg, nooit ontmoetten. Eén keer stond Mancini bij Mesdags herenhuis op de stoep en durfde niet aan te kloppen, uit schaamte voor zijn armoedigheid. Maar de arme Napolitaanse kleermakerszoon, die opgroeide met honger, werd toch een succesverhaal. Dat verhaal vertelt de tentoonstelling die via vroeg werk zoals Het zieke kind na drie zaaltjes eindigt met de monumentale portretopdrachten die Mancini later maakte van zijn bewonderende weldoeners.

Al met al blijft het een wonderlijk oeuvre. Modern vernieuwend als Mancini’s techniek was – daar viel Mesdag vast het meeste voor – vermoed je bij die decadente bedomptheid een soort angst voor de moderne buitenwereld. Dat is een boeiend contrast. Toch maakt de tentoonstelling niet alle belofte waar. Zijn bloemenverkoopsters tussen bloemen zou je flets willen noemen als ze niet zo pastellerig waren. Andere gezichten zitten soms vol leven en karakter, soms ook koketteren ze met glanzende lipjes à la zigeunerjongetje met de traan.

Antonio Mancini, In gedachten verzonken (1895-1898 olieverf op doek, 100 cm x 60 cm). De Mesdag Collectie, Den Haag, Maurice Tromp

Maar het hoogtepunt zijn de zelfportretten – alle zelfportretten – waar zulke theatraliteit wel geloofwaardig is: gekker, eigenzinniger, echter. Poserend in zijn volgestouwde atelier, tussen kunst en van alles, kijkt hij je aan met een blik als ‘dit ben ik, heerser over deze chaotische wereld’. Fascinerend is ook het zelfportret op een bord, waarin hij met zijn vinger in verf kolkende gelaatstrekken heeft neergezet, een woest zelfbeeld dat doet denken aan hoe latere expressionisten buitenkant en binnenwereld in kleur mengden. Dat lukt Mancini ook. Borden beschilderde hij in een moeilijke tijd van zijn leven. Hij had psychiatrische problemen, wat misschien al die claustrofobische interieurs verklaart, en geldzorgen. Met de borden betaalde hij zijn lunches, al zullen er vast ook in het afwaswater verdwenen zijn.

Maar het leven trok bij en in de slotzaal tussen die majesteitelijk hoge portretopdrachten hangt een laat zelfportret uit 1929, voor zijn doen een luchtig werk. Het halve canvas heeft hij leeg gelaten om de namen op te schrijven van plekken en mensen die hij belangrijk vond – zoals Sargent, Degas, en natuurlijk Mesdag. Ernaast in het hoekje zit de oude Mancini zelf, een oude man, ogenschijnlijk tevreden wegzinkend in al die verfspetters die hem intussen beroemd hadden gemaakt.