Terwijl de elite feest, lijdt de gewone Libanees honger

Libanon Libanon is zó uitgewoond door een corrupte elite, dat een humanitaire ramp dreigt. „Onze oligarchen leven in feite van geld dat niet bestaat.”

Inwoners van Libanon met lege koelkasten als gevolg van de hevige economische crisis in het land, die veel Libanezen in armoede heeft gestort.
Inwoners van Libanon met lege koelkasten als gevolg van de hevige economische crisis in het land, die veel Libanezen in armoede heeft gestort. Foto Ibrahim Chalhoub/ AFP

Het is aardedonker wanneer Zakaria al-Omar op de avond van 5 juli door het centrum van Beiroet naar huis wandelt. De straatverlichting is uit. Er rijden geen auto’s op straat. Alleen in de hotels in de verte brandt nog licht.

Plots houdt een motor stil. Een man van in de veertig stapt af en haalt een mes tevoorschijn. „Aan jou de keus”, fluistert hij terwijl hij het koude metaal zachtjes tussen Omars ribben prikt. „Of je geeft me geld, of je koopt eten voor me.”

Van het kleine bedrag dat Omar tevoorschijn haalt, neemt de man slechts de helft aan. Daarop zakt hij in elkaar en begint oncontroleerbaar te huilen. „Je moet me vergeven”, stamelt de overvaller. „Mijn kinderen hebben honger en ik ben mijn baan kwijtgeraakt.” Omar aarzelt geen moment en vergeeft de man. Deze breekt opnieuw in tranen uit, krabbelt weer overeind en loopt terug naar zijn motor. „Het spijt me”, zegt hij nog één keer voordat hij de nacht inrijdt. „Dit is niet wie ik ben.”

Twee weken later achtervolgt de gebeurtenis Omar nog steeds. „Ik zink voortdurend weg in donkere gedachten”, vertelt hij in een café in de wijk Hamra. Het is niet de diefstal die door zijn hoofd spookt, maar de wanhoop erachter. „Die man moet echt tot het uiterste zijn gedreven”, zegt Omar. „Kennelijk komt er een moment waarop je jezelf verliest.”

De dollars zijn op

Voor Libanon is dat moment aangebroken. Het kleine land aan de oostelijke Middellandse Zee is zichzelf niet meer. Tot voor kort zagen veel Libanezen zich als een veerkrachtig volk van succesvolle handelaren die iedere tegenslag te boven komen. Na een verwoestende burgeroorlog (1975-1990) herwon hun hoofdstad Beiroet haar functie als cultureel en financieel machtscentrum. Terwijl de rest van de Arabische wereld gebukt ging onder oude regimes en nieuwe oorlogen, genoten de hoog opgeleide Libanezen van relatieve politieke vrijheden en een schijnbaar oneindige voorraad dollars.

Maar die dollars zijn op. Door jarenlange corruptie en financieel wanbeleid is Libanons bankensector in korte tijd ineengestort. In nog geen negen maanden verloor het Libanese pond tachtig procent van zijn waarde. Terwijl de banken hun deuren sloten, verdampte het spaargeld van klanten. De omgerekende waarde van het minimumloon kelderde van 385 naar amper 60 euro, lager dan in Irak of Egypte.

De crisis komt extra hard aan doordat Libanon vrijwel alles importeert, van inmiddels onbetaalbare levensmiddelen tot nu schaarse medicijnen. Elektriciteit is er nog maar drie uur per dag. Niemand kan voorspellen wanneer het licht uitvalt.

In de conservatieve arbeiderswijk Tariq al-Jdideh in het centrum van Beiroet ondergaat de bevolking de gevolgen. Voor de deur van zijn flatje legt Wasim Hamzi uit wat de stroomtekorten betekenen. „Je telefoon niet kunnen opladen is nog maar het begin”, zegt de 28-jarige terwijl hij aan zijn sigaret trekt. „We kunnen onze kleren niet wassen. Geen eten in de koelkast bewaren. Zelfs niet douchen of de afwas doen, want voor stromend water is een elektrische pomp nodig.”

Naast Hamzi’s huis staat de falafel-kraam van Ahmed Said, een Syrische vluchteling uit Damascus. Een broodje falafel met saus en salade kost bij hem omgerekend twintig eurocent, maar zelfs dat lijkt voor veel wijkbewoners te veel. „Een paar maanden geleden verkocht ik nog 150 broodjes per dag”, aldus de Syriër. „Nu zijn dat er 60.”

Honger drijft sommige Libanezen over de rand. Begin deze maand schoot een 61-jarige man een kogel door zijn hoofd in de wijk Hamra. Op de plaats waar hij op de stoeptegels neerviel, liet Ali al-Haq een Libanese vlag en een laatste bericht achter: „Ik ben niet goddeloos”. Dat was een verwijzing naar het gelijknamige Libanese volkslied Ana mosh kafir en diens openingsregel: „Ik ben niet goddeloos, maar honger is goddeloos.” De zin werd meteen trending op Twitter.

Toch ligt niet iedereen hier wakker van. Op het dakterras van het Palm Beach Hotel, nog geen vijftien minuten lopen van de plek waar Haq zichzelf doodschoot, lijkt de economische crisis niet te bestaan. Aan een lange tafel met Libanese lekkernijen loeren oude heren met Cubaanse sigaren naar zwaar opgemaakte vrouwen met opgespoten lippen. Een leger obers rent af en aan met dienbladen vol cocktails.

„Wij Libanezen houden van het leven”, verklaart een zakenman in donkerblauwe polo terwijl hij zijn glas heft. De Libanese ondernemer woont in Londen en studeerde in Parijs, maar is op bezoek in de regio om zijn hotels in Beiroet, Dubai en Istanbul te inspecteren. Gevraagd hoe zijn geboorteland ervoor staat, wijst hij breed grijzend op het uitzicht. „Schitterend, als je het mij vraagt.”

Een etage lager maken Ethiopische dienstmeisjes de toiletten schoon. In het trappenhuis biecht een ober op dat hij de klanten haat. „Deze eikels zitten iedere avond te feesten”, zegt hij uit het zicht van zijn manager. „Soms vang ik hun lege gesprekken op. Ze zijn totaal niet bezig met wat er in de rest van het land gebeurt.”

Die zelfzuchtigheid legt een dieper probleem bloot, stelt de aan de Libanese denktank Triangle verbonden econoom Nizar Ghanem. De economie is volgens hem ontworpen om het feestende bestaan van een kleine elite in stand te houden en de kater alsmaar uit te stellen. „Onze oligarchen leven in feite van geld dat niet bestaat.”

Dat zit zo: de Libanese Centrale Bank betaalt torenhoge rentes uit over staatsobligaties. Commerciële banken kopen die obligaties op en verhandelen ze door aan buitenlandse investeerders. Op die manier stromen de dollars het land binnen, maar is de staatsschuld opgelopen tot maar liefst 86 miljard dollar. Dat is ruim 150 procent van het Libanese bruto binnenlands product, waarmee Libanon één van de hoogste staatsschulden ter wereld heeft.

In plaats van het geleende geld te investeren in binnenlandse productie, steekt de Libanese politieke elite het in eigen zak. Die corruptie wordt in de hand gewerkt door de sektarische inrichting van het land. Na de burgeroorlog werd Libanon opgedeeld door de leiders van verschillende religieuze sekten die elkaar destijds te lijf gingen. Zij verdelen nog altijd iedere economische activiteit onder hun eigen clan. Er is nauwelijks een centrale overheid die deze vriendjespolitiek kan controleren.

Bovendien kon de Libanese elite decennialang rekenen op de steun van internationale partners, benadrukt Ghanem. Telkens wanneer het systeem leek in te storten, kwamen deze met nieuwe cash-injecties. Libanons financiële wanpraktijken leveren buitenlandse investeerders dan ook een fortuin op. Niet alleen vanwege de lucratieve rentes, maar ook omdat de Libanese autoriteiten niet zo moeilijk doen over belastingontduiking en witwassen. „Beiroet is de hoofdstad van dodgy business”, aldus Ghanem.

IMF trekt een streep

Toch lijkt het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dit keer een streep te trekken. Afgelopen voorjaar kwam de organisatie met een noodfonds om Libanon van de ondergang te redden, maar daaraan zijn strenge voorwaarden verbonden. Zo eist het IMF hervormingen om corruptie tegen te gaan en presenteerde het de Libanese banken een rekening van 62 miljard dollar.

Volgens Ghanem weigeren de bankiers te betalen en gebruiken ze hun politieke invloed om de deal met het IMF te saboteren. Vorige maand liepen de onderhandelingen vast. „Onze oligarchen hebben geen morele principes”, verzucht hij. „Ze zijn bereid miljoenen mensen de armoede in te jagen om hun eigen geld veilig te stellen.”

De vraag is of de Libanese bevolking daar iets tegen kan beginnen. Afgelopen oktober leek dat even het geval. Honderdduizenden demonstranten gingen de straat op en dwongen de toenmalige regering van premier Saad Hariri tot aftreden. Voor het eerst sinds de burgeroorlog keerden Libanezen uit verschillende religieuze sekten zich op zulke schaal tegen hun eigen leiders in plaats van tegen elkaar.

Maar een straatprotest is nog geen georganiseerde beweging. Hoewel soennieten, sjiieten, christenen en druzen elkaar toen vonden, blijft het zoeken naar een gezamenlijke organisatie of leider. Het Plein der Martelaren in Beiroet dat vorig jaar nog zwart stond van de demonstranten, is nu uitgestorven.

Zelfs als daar verandering in komt, vreest Ghanem dat de oligarchen een andere troef klaar hebben. „De veiligheidstroepen en inlichtingendiensten hebben in de afgelopen maanden meer macht gekregen”, waarschuwt hij. „Er bestaat een groot risico dat Libanon niet alleen hongersnood, maar ook een veel harder autoritair regime te wachten staat.”