Vind je me nu een slecht mens?

De Golf | Aflevering 8

Met het oog op de zeespiegelstijging kochten schrijver Bruno en academica Loes een woonschip. Een feuilleton van .
Illustratie Olivia Ettema

‘Ze is zwart!” Bruno staat bij een patrijspoort. Typisch Loes om dat niet even te zeggen. Het meisje heeft kennelijk de bus gepakt, hij ziet geen fiets. Was het druk in die bus? Zou ze aan een deurknop gezeten hebben? Als ze hier maar niets aanraakt, denkt hij. Even twijfelt hij of hij niet een paar tuinstoelen op de wal moet zetten, maar nee, het miezert te erg.

„Een student van mij wil met jou over je boeken praten”, had Loes gezegd. „Zou je dat voor me willen doen? Ze is heel goed, heel serieus.”

„Praten?”

„Interviewen. Voor een website ofzo.”

„Kan dat niet online?”

„Doe niet zo spastisch, lieverd”, zei Loes. „Je hoeft haar niet te omhelzen.”

Nou, hij doet wel spastisch. In pandemische tijden leven de bangerds het langst. Studenten staan erom bekend dat ze geen anderhalve meter afstand houden.

Hij kijkt om zich heen. Het kwam er niet meer van om te stofzuigen. Maar wie kijkt er nu echt of de vloer schoon is? Zeker niet iemand die met het openbaar vervoer reist. Hij haalt de tube anti-bacteriële gel uit de keuken en zet die op tafel. Dan loopt hij nog snel even naar Ollies kamertje. Het ventje slaapt op zijn rug, beentjes en armpjes gespreid.

In pandemische tijden leven de bangerds het langst

Hij loopt naar buiten. „Hallo!” Ze draagt een bloedrode blouse en een kort zwart rokje. Zo’n type, denkt Bruno. Zich zo kleden, maar als je ook maar één seksuele toespeling maakt, stomverbaasd reageren.

„Hi, ik ben Nancy.” Haar fijne krulletjes glinsteren van de motregen.

Ze heeft inderdaad al zijn boeken gelezen. „Hoe kies je je personages?” vraagt ze, zodra ze zich hebben geïnstalleerd. Ze heeft niet gevraagd of ze mocht tutoyeren, ze doet het gewoon. „Is er eerst een bepaalde plot die je voor ogen hebt en kies je daar een karakter bij? Bijvoorbeeld, in je roman Vlinderbloed heb je Ilja en Denise. Hoe ben je bij hen gekomen?”

„Ilja lijkt op iemand die ik ken”, zegt Bruno. „Geweldige gast. Hij had altijd Surinaamse vriendinnen, geen Hindostaanse, creoolse. En ineens had hij iets met de blanke nazaat van een tuinmeubelimperium en zei hij dat hij met haar ging trouwen.”

„Een wít meisje”, zegt Nancy. „Net als Denise. Netjes, hoogopgeleid.”

„Ja.”

„In het boek noem je die Surinaamse meiden ‘wild’.”

„Ja. En?”

„Dus je neemt daar helemaal geen afstand van? Je weet dat dit een vorm van oriëntalisme is, neem ik aan. Ik bedoel, je vrouw geeft daar colleges over.”

Exotisme, kolonialisme, seksisme. Als zwarte vrouw is Nancy dubbel gekrenkt. Met een boek dat belangrijke literaire prijzen heeft gekregen. Uitermate pijnlijk.

„Vind je me nu een slecht mens?” vraagt Bruno bijna geamuseerd. „Omdat ik het woordje ‘wild’ heb gebruikt? Is dat niet wat snel geoordeeld? Misschien geef ik wel heel veel geld aan goede doelen.” Hij oreert nog een tijdje door. Dan bindt hij toch wat in. Loes mag hier geen last mee krijgen. Hij zegt dat hij snapt dat het gevoelig ligt. Hij had beter Spaanse meiden of zo kunnen schrijven, geen meiden uit een voormalige kolonie. Of nee, Spaanse meiden is nog altijd nog seksistisch. Nou misschien helpt het als hij zegt dat hij helemaal niet meer schrijft?