Afstand houden is net diëten: de discipline verslapt

Gedragsonderzoek Nederlanders geloven sterk in nut en noodzaak van de anderhalve meter, maar ze houden zich er slecht aan. „De angst voor het virus is heel erg geslonken”, verklaart hoogleraar sociale psychologie Frenk van Harreveld.

Het gaat niet goed met de belangrijkste maatregelen, zegt Sijbesma. We zouden onder meer te weinig afstand houden. Foto Olaf Kraak/ANP
Het gaat niet goed met de belangrijkste maatregelen, zegt Sijbesma. We zouden onder meer te weinig afstand houden. Foto Olaf Kraak/ANP

Het is een opvallende paradox in het laatste gedragsonderzoek van het RIVM, dat vrijdag verscheen. Nederlanders geloven over het algemeen sterk dat de coronaregels zin hebben, maar ze houden zich er vaak niet aan.

Neem het thuisblijven bij klachten: 86 procent acht dit zinvol, maar toch wandelt de grote meerderheid met klachten gewoon de deur uit. 89 procent ging naar de supermarkt, 63 procent bezocht vrienden of familie, en 47 procent ging naar het werk.

Hetzelfde geldt voor het testen bij klachten: volgens 77 procent heeft dit zin, maar van de mensen met mogelijke coronasymptomen liet slechts 19 procent zich testen.

Ook het afstand houden wordt steeds meer een theoretische exercitie. Driekwart van de Nederlanders gelooft in nut en noodzaak van de anderhalve meter, maar gaat men op bezoek bij vrienden of familie, dan verdwijnt dit geloof naar de achtergrond. Nog maar 28 procent van de Nederlanders houdt in zulke gevallen altijd afstand, tegenover 63 procent in het eerste gedragsonderzoek, dat begin mei verscheen.

De vrijdag gepubliceerde resultaten zijn de vijfde ronde van een RIVM-onderzoek naar het gedrag en het welbevinden van Nederlanders in de coronacrisis. Sinds eind april stelt het instituut elke paar weken dezelfde vragen aan een groep van tussen de 50.000 en 90.000 mensen.

Dat de discipline een beetje verslapt, is ook te zien in de openbare ruimte. Mensen scheren weer als vanouds vlak langs elkaar op de stoepen, en in de cafés is bijna twee maanden na de opening vaak weinig meer over van de anderhalvemeterregel.

Lees ook: Mondkapjesplicht: schijnveiligheid valt mee, misschien is er wat bescherming

„De sociale norm is opgeschoven”, zegt Frenk van Harreveld, hoogleraar sociale psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. „Ik was laatst in het centrum van Amsterdam, dat is niet te geloven gewoon. Hetzelfde pretpark als het hiervoor was. Als mensen dat de hele tijd zien, leiden ze daaruit af dat het normaal is. Dat noemen we de descriptieve sociale norm. Maar je hebt ook de prescriptieve sociale norm: ‘dit is wat wij moeten doen’.”

Dat die twee sociale normen steeds meer uiteenlopen, is te zien aan de stijging van het aantal besmettingen in de afgelopen weken. De burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam pleitten daarom deze week voor een mondkapjesplicht, en de veiligheidsregio’s IJsselland en Zeeland kondigden donderdag aan de regels strenger te gaan handhaven.

Wat kan de overheid verder doen, naast handhaven en nieuwe regels bedenken? Zijn er ook ‘zachtere’ methoden om mensen terug in het gareel te krijgen?

Inrichting van de omgeving

Het is om te beginnen belangrijk om de omgeving zo in te richten dat mensen zich makkelijk aan de regels kunnen houden, zegt Mariken Leurs, hoofd van de ‘Corona Gedragsunit’ van het RIVM. Ze noemt als voorbeelden de cirkels die her en der verschenen in parken en pontificaal opgestelde desinfectiemiddelen bij restaurants. „Het is prettiger voor mensen om ongemerkt in het goede gedrag te belanden, en dat heeft met de inrichting van de omgeving te maken. Hoe is de bureau-opstelling op kantoor? Is de winkel zo ingericht dat je van nature een route volgt en niet tegen iemand aanloopt?”

Ook van belang is de communicatie over het virus, zegt Leurs. „De wake-up call van mijn collega Aura Timen eerder deze week was bedoeld om te benadrukken dat het belangrijk is dat mensen zich aan de regels blijven houden.” Dat dat (enig) effect kan hebben, bleek na de vorige editie van het gedragsonderzoek, begin deze maand: het percentage mensen dat zich bij klachten laat testen steeg sindsdien van 12 naar 19 procent.

Lees ook: hoe de overheid jongeren probeert de bereiken:

De communicatie verloopt niet alleen via officiële kanalen, maar ook via influencers, zegt Leurs. Dat kunnen jongeren zijn op sociale media, maar net zo goed imams – afhankelijk van de doelgroep.

Persoonlijke verhalen

Het helpt als er in de communicatie niet alleen aandacht is voor statistiek, maar ook voor verhalen, zegt Frenk van Harreveld. „Als er iets duidelijk is uit de literatuur over risicoperceptie, dan is het dat een persoonlijk verhaal veel meer impact heeft dan statistiek. Zoals Stalin al zei: één dode is een tragedie, duizend doden zijn statistiek.” Verhalen kunnen helpen het virus weer in herinnering te roepen. Dat blijkt namelijk een beetje weggezakt: het percentage mensen voor wie het coronavirus (heel) dichtbij voelt, daalde volgens het RIVM tussen begin mei en nu van 51 naar 25 procent, en het aandeel mensen dat er (heel) veel aan denkt slonk van 44 tot 22 procent. „De angst voor het virus is heel erg achteruit gegaan. En angst is een belangrijke voorspeller van de bereidheid je aan de regels te houden”, zegt Van Harreveld.

Mariken Leurs van de Corona Gedragsunit houdt de moed erin: in elk geval neemt het draagvlak voor de maatregelen niet af. „En grote groepen houden zich ook wél aan de regels.” Frenk van Harreveld is een tikje pessimistischer. Toen hij laatst met vrienden ging pokeren, stond iedereen elkaar te zoenen en te omhelzen: „Toen voelde ik me wel een zeurpiet, dat ik een elleboog stond te geven.”

Maar als sociaal psycholoog snapt hij heel goed dat de discipline verslapt. „Je zou goed de vergelijking kunnen maken met diëten of stoppen met roken. Het zijn allemaal dingen waar je moeite voor moet doen. Die moeite kunnen we enige tijd opbrengen, maar het volhouden van dat soort gedrag is ook een soort spier, die raakt vermoeid.”

Correctie (25 juli 2020): In een eerdere versie van dit artikel stond dat de burgemeesters van de vier grote steden voor een mondkapjesplicht pleitten. Het waren de burgemeesters Femke Halsema (Amsterdam) en Ahmed Aboutaleb (Rotterdam) die de oproep deden. Dat is hierboven aangepast.