Recensie

Recensie Boeken

Een veelomvattend portret van Karl Kraus en zijn wereld

Karl Kraus Na afloop van de Eerste Wereldoorlog was Karl Kraus de literaire gesel van de Oostenrijkse autoriteiten en pers. Nu heeft hij de grootse biografie die hij verdient. Het boek is een feest om te lezen.

Karl Kraus in 1933, in het park van kasteel Janowitz, in het tegenwoordige Tsjechië.
Karl Kraus in 1933, in het park van kasteel Janowitz, in het tegenwoordige Tsjechië. Foto Imagno/Getty Images

Er zijn maar weinig zaken waar mensen zo weinig zin in hebben als van gedachten veranderen, ook als de omstandigheden fundamenteel zijn gewijzigd. Zie de coronacrisis. De catastrofe mag nog zo groot en onverwacht zijn, voor de meeste commentatoren is de virusuitbraak vooral een bevestiging van hun eigen gelijk. Meer milieu, minder marktwerking, of juist andersom; meestal zijn dat opvattingen die de auteurs al hadden voordat de crisis uitbrak.

Zo niet Karl Kraus (1874-1936). De centrale catastrofe van zijn leven was het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Dat leidde tot een fundamentele herziening van zijn wereldbeeld. Tot dat moment was hij een hooghartige conservatief, die sympathiseerde met de Habsburgse keizer en de troonopvolger Frans Ferdinand. Maar Kraus moest constateren dat keizer en vaderland tot een humanitaire ramp hadden geleid, die zijn gelijke niet kende in de geschiedenis. Hij transformeerde tot een overtuigd antimilitarist en pacifist.

Met zijn eenmanstijdschrift Die Fackel en zijn populaire lezingen ontwikkelde Kraus zich tot gesel van de Habsburgse autoriteiten en met name van de pers die de oorlogswaanzin altijd weer wist te rechtvaardigen. Zijn heilige verontwaardiging sloeg neer in zijn kolossale toneelwerk Die letzten Tage der Menschheit (1922); een van de grote literaire monumenten die de Eerste Wereldoorlog heeft voortgebracht. Kraus was in de tweede helft van de jaren twintig een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur.

Theater op Mars

Die letzten Tage der Menschheit was te omvangrijk voor het theater – een integrale uitvoering zou tien avonden in beslag nemen. Het stuk was volgens Kraus bedoeld voor ‘een theater op Mars’. Uniek was dat Kraus niet het perspectief koos van de soldaten in de loopgraven, zoals in de meeste oorlogsliteratuur. Hij nam vooral de oppervlakkigheid, leugenachtigheid en domheid van de burgerwereld in de oorlogsjaren op de korrel. Vrijwel alle scènes zijn gebaseerd op krantenberichten; kranten waren toen het dominante (want enige) massamedium.

Met zijn mediakritiek was Kraus zijn tijd vooruit. Al vroeg zag hij dat media en journalistiek niet louter doorgeefluik zijn, maar ook een eigen werkelijkheid creëren. Zijn polemische methode was taalkritiek: met scherpe analyses van het taalgebruik van autoriteiten en journalisten, maar ook van gesprekken op straat en in het café, legde hij geestelijke luiheid, banaliteit, gevoelsarmoede en loze taalvirtuositeit bloot. Ook de taal is niet zomaar een middel om de werkelijkheid te beschrijven. De taal moet voor de schrijver een manier zijn om zich ethisch en moreel tot de werkelijkheid te verhouden.

Lees ook: de recensie van De laatste dagen der mensheid van Karl Kraus

Dat Kraus de verantwoordelijkheid voor de oorlog vervolgens exclusief toeschreef aan de invloed van de pers was een polemische overdrijving. Zulke eenzijdige overdrijvingen zijn wellicht inherent aan de rol van de satiricus. Maar Kraus maakte wel degelijk aanspraak op de waarheid. Zijn werk mag en moet daar ook op worden beoordeeld, al schoot hij regelmatig door en had hij niet altijd gelijk. Niet al zijn kruistochten waren gerechtvaardigd.

‘Wanneer ben ik ooit onrechtvaardig geweest?’, riep Kraus op zijn sterfbed nog uit. Nou, met grote regelmaat. Want Kraus kon gevaarlijk dicht in de buurt komen van een querulant. Met zijn intensiteit, fanatisme en waarheidsliefde was hij het type schrijver dat de wereld rigoureus verdeelt in aanhangers en vijanden. Een tussenweg bestond niet.

Nog steeds duikt Kraus met grote regelmaat op in biografieën van andere grote kunstenaars, die tot zijn bewonderaars behoorden: Bertolt Brecht, Arnold Schönberg, Alban Berg, Walter Benjamin, Elias Canetti, Theodor Adorno, Oscar Kokoschka, Ludwig Wittgenstein, Franz Kafka. Kraus vertegenwoordigde voor hen de hoogste artistieke en ethische maatstaf in het Wenen van het Interbellum.

Als schrijver is Jens Malte Fischer de anti-Kraus

Met Karl Kraus. Der Widersprecher van de Oostenrijkse theaterwetenschapper Jens Malte Fischer (1943) heeft hij de biografie gekregen die hij verdient. Het boek is een feest om te lezen.

Als auteur kan Fischer niet verder af staan van Kraus. Voor alles is hij een bewonderaar en liefhebber, die Kraus’ zinnen proeft met onmiskenbaar genoegen. Steeds zoekt Fischer de nuance en mijdt hij het scherpe oordeel en de polemiek, bereid als hij is om zijn held in het beste licht te zien.

Encyclopedische geest

Als schrijver is Fischer de anti-Kraus. Dat maakt hem evenwel niet tot een slaafse bewonderaar, al scheelt het soms niet veel. En als Fischer kritiek heeft op de tekortkomingen van zijn held, doet dat hem merkbaar pijn. Daarnaast is hij ook een encyclopedische geest, die alles wil weten. En hoewel hij daar veel pagina’s voor nodig heeft, verliest hij zich niet in de kleinste details, de valkuil van iedere biograaf. Eerder gooit hij zijn netten wijd uit, waardoor een veelomvattend portret is ontstaan van de schrijver en zijn wereld.

De aanpak van Fischer is eerder thematisch dan chronologisch; hij schrijft hoofdstukken over de vrouwen van Kraus, zijn vijanden en vrienden, zijn invloed, zijn dagelijks leven. Het levert fraaie essays op die ook op zichzelf kunnen staan, al leidt die methode hier en daar tot herhalingen.

Eerder schreef Fischer een omvangrijke Mahler-biografie. Ook is hij een autoriteit op het gebied van Wagners antisemitisme. Al in zijn standaardwerk over klassieke zangers, Grosse Stimme, viel zijn fascinatie op voor Joodse zangers. Dat maakt hem bij uitstek bevoegd om Kraus’ gecompliceerde verhouding tot zijn Joodse afkomst te analyseren, al is hij wel erg mild over Kraus’ woeste gebruik van antisemitische terminologie als ‘de Jodenpers’.

Met Kraus komt de literatuur los van het papier. Hij was zijn leven lang verslingerd aan het theater – van Shakespeare tot Offenbach. Hij trad zevenhonderd keer op met eigen en andermans werk op voorleesavonden. Zo was hij een belangrijke voorloper van latere literaire performers zoals ‘aucteur’ Jules Deelder.

De invloed van ‘de tegenspreker’ is nog altijd niet uitgewerkt, de fakkel nog niet gedoofd. Aan Kraus hebben we misschien wel de Nobelprijs voor Literatuur (2016) voor Bob Dylan te danken, zo’n honderd jaar nadat hij zelf buiten de boot viel.