Ook als het slecht gaat houdt iedereen van NAC Breda

NAC Breda NAC speelt ook dit jaar weer in de eerste divisie. De nieuwe directeur Mattijs Manders wil de club naar rustiger vaarwater leiden.

Training bij NAC Breda in juni van dit jaar.
Training bij NAC Breda in juni van dit jaar. Foto Maurice van Steen

Mattijs Manders is terug op het veld. Als algemeen directeur van NAC is hij weer onder de voetballers, trainers en zaakwaarnemers. De hectiek van een voetbalclub runnen – dat is wat hij het afgelopen jaar heeft gemist.

Hij miste dat, toen hij directeur was bij Eredivisie CV, het orgaan waarin de achttien eredivisieclubs zijn verenigd. Een tandeloze tijger, vond hij. Achter zijn bureau in een witte stadsvilla in de Zeist, pal tegenover de KNVB, vroeg hij zich af: is dit dan de baan die ik graag wilde?

Hij wilde vóóruit. Plannen maken, beslissingen nemen. De eredivisie promoten, afrekenen met het stigma dat we nu eenmaal een klein voetballand zijn met een kleine competitie, waar al het talent toch wel wordt weggeplukt. Hoezo herhaalt iedereen dat steeds? Hoezo zou de eredivisie niet de Aziatische markt kunnen opgaan om centen binnen te halen?

Geen bevoegdheden

Van die voornemens kwam dus weinig terecht. Bij Eredivisie CV bleek hij vooral een liaison te zijn. Iemand die met alle voetbalbestuurders aan tafel zat, partijen bijeenbracht, meedacht, oplossingen aandroeg, maar uiteindelijk nooit de bevoegdheid had om knopen door te hakken. Dat doen de clubs, via stemrondes.

Net toen hij het echt saai begon te vinden, brak de coronacrisis uit. Voor niemand leuk, maar hij wist wel: nu moet ik aan de bak. Dat hij vervolgens werd weggezet als iemand die ten koste van alles het voetbal wilde hervatten, stak hem. Hij hield slechts alle opties open om de schade voor de bedrijfstak te beperken. Is dat niet wat er van een eredivisiedirecteur verwacht mag worden? En dat er later werd geroepen dat de voetbalbranche om geld vraagt zónder plannen, dát stak hem nog meer. Politici spraken voor hun beurt, vóórdat hij en de KNVB de kans hadden om hun hulpverzoek te onderbouwen.

Wat hij ook betreurde was het vele lekken naar de pers. Bij de beruchte vergadering op vrijdagmiddag 24 april, toen werd besloten geen degradatie of promotie toe te passen, zag hij buiten de journalisten staan. Sommigen heel de vergadering lang met hun telefoon aan het oor. Die luisterden dus live mee, dankzij een directe verbinding met een van de 36 profclubs. Zulke gevoelige materie bespreekt hij liever in kleine kring, met elkaar. De pers komt daarna.

Mattijs Manders, algemeen directeur van NAC Breda. Foto Remko de Waal

Niet veel later klopte de ‘Parel van het Zuiden’ bij hem aan. Hij voelde het meteen: dáár moest hij zijn. Bij NAC, de worstelende cultclub die in alles een eredivisieclub is, maar komend seizoen opnieuw in de Keuken Kampioen Divisie speelt. Niet tegen Ajax, maar FC Oss. En ja, dat is NAC-onwaardig. Vindt Manders ook.

Drie trainers in een jaar

Tegelijk zag hij veel verbetermogelijkheden, na zijn entree in juni. Een club die drie trainers in een jaar verbruikt, komt stuurloos over. Het begint er al mee dat ze voor één jaar worden aangesteld. Financieel begrijpelijk vanwege de ontslagpremie, maar daarmee straalt NAC ook uit dat trainers zo weer op straat staan. Welke coach probeert een duurzaam presterende ploeg op te bouwen als hij na drie nederlagen zijn spullen kan pakken? Alles zal draaien om winst op korte termijn.

Manders wil dat anders doen. Na het vertrek van Peter Hyballa, die zijn eigen baan op het spel zette door zijn vete met technisch directeur Tom van Abbeele in de pers uit te vechten, stelde Manders Maurice Steijn voor drie jaar aan. Waarmee hij wilde zeggen: bouw iets op. Want voor Manders houdt vertrouwen niet op na twee nederlagen. Hooguit wordt hij er chagrijnig van, net als bij ADO, maar in de loop van de dag erna wordt hij vanzelf weer spraakzamer. Het kantoorpersoneel dat hij aanstuurt kan immers ook niks aan een verliespartij doen. Bovendien vindt hij het een teken van zwakte als een directeur met de dagkoersen meebeweegt. Wie in zijn eigen visie voor de lange termijn gelooft, raakt niet van de leg van een balletje buitenkant paal.

Lees ook, uit november 2018: Cultclub NAC, het zorgenkind van Manchester City

Aan de steun vanuit de omgeving zal het niet liggen. Hij kende de verhalen over NAC. Over de achterban die zelfs in de meest barre tijden naar het stadion blijft komen. Klopt helemaal. Advocaten, straatvegers, leraren en kantoorklerken: iedereen houdt van NAC. NAC bindt. Ook in slechte tijden.

De seizoenkaartenverkoop zegt alles. Na Ajax, PSV, Feyenoord en FC Twente verkocht NAC er de meeste. En dat voor een eerstedivisieclub. Inmiddels zijn het er zo’n 11.000, van wie 8.000 met een ‘gouden seizoenkaart’. Deze fans steunen NAC onvoorwaardelijk. Ze hebben afgezien van hun recht op compensatie, hoeveel thuisduels ze de komende tijd ook zullen moeten missen door de coronacrisis.

Zoals het er nu uitziet, zullen er zo’n 5.000 van hen bij zijn als NAC op 29 augustus zijn eerste competitiewedstrijd speelt, tegen Jong AZ. Minder dan de 19.000 die in het stadion passen, maar al veel meer dan Manders had voorzien toen hij weken geleden tegen het kantoorpersoneel zei dat ze erop moesten rekenen dat er heel komend seizoen geen publiek zou komen.

Deze vrijdag speelt NAC zijn eerste oefenwedstrijd. Manders kijkt ernaar uit. Wel zo leuk dat hij zijn nieuwe club een keer ziet spelen, na twee maanden buffelen op kantoor.