Opinie

In de achtertuin van Europa ontstaat een kruitvat

Libië

Commentaar

Een half jaar geleden klonk de waarschuwing dat Libië een ‘tweede Syrië’ dreigde te worden. De hoop was dat een internationale topconferentie in Berlijn dat zou kunnen voorkomen. Maar sindsdien is de al bijna tien jaar woedende oorlog in het Noord-Afrikaanse land verder geïnternationaliseerd. Het dreigt hét escalerende conflict van deze zomer te worden.

De goedkeuring die het Egyptische parlement deze week aan het sturen van troepen naar Libië gaf, maakt die kans groter. Een confrontatie tussen Egypte en Turkije ligt op de loer als huurlingen namens Ankara de havenstad Sirte innemen en Egyptische militairen op verzoek van Libische stammen in het oosten Sirte juist komen verdedigen.

Het zorgelijke is dat verdere escalatie van een toch al uitdijend conflict in het Middellandse Zeegebied niet lijkt te voorkomen. Alle buitenlandse partijen in deze proxy-oorlog hebben, buiten het veiligstellen van Libische olie en Libisch gas, andere redenen voor hun inmenging en zijn geenszins van plan hun belangen op te geven.

Lees ook: Hoe Turkije en Rusland Syrische huurlingen ronselen voor het Libische front

In de kern draait de strijd in Libië natuurlijk om macht. Na het omverwerpen van het regime van Moammar Gaddafi in 2011 – wat toen nog door de internationale gemeenschap beschouwd werd als een succes – ontstond een machtsvacuüm. In het oosten wist generaal Khalifa Haftar verschillende facties aan zich te binden, in het noordwesten ontstond een Regering van Nationaal Akkoord (GNA) die wordt erkend door de Verenigde Naties.

Wat de situatie gecompliceerd maakt, is dat Haftar zijn positie kon versterken dankzij de steun van de Verenigde Arabische Emiraten, Egypte, Rusland en tot voor kort Frankrijk. De GNA kan rekenen op hulp van Qatar en Turkije. Alleen doordat de laatste de GNA met wapens, adviseurs en Syrische huurlingen te hulp kwam, kon een offensief van Haftar op Tripoli een halt worden toegeroepen. Haftar kreeg vervolgens van Rusland Afrikaanse huurlingen geleverd, alsook Syrische strijders.

Zo staan nu in Libië, in opdracht van anderen, Syriërs die thuis tegen president Assad vochten tegenover Syriërs die uit het gebied komen dat onder Assads controle staat. Zij vechten een oorlog uit met honderdduizenden Libische burgers tussen hen in. Zeldzame getuigenissen van enkele van die in Libië ingezette Syriërs, onlangs in NRC, lieten het cynisme van de situatie zien.

Terecht was VN-secretaris-generaal António Guterres eerder deze maand hard in zijn veroordeling van de „ongekende” buitenlandse inmenging, die hij „schandalig” noemde. Dat lijkt aan dovemansoren gericht.

Een resolutie in de VN-Veiligheidsraad die een einde wil maken aan de buitenlandse interventies in Libië, of in elk geval oproept „geen maatregelen te nemen die het conflict verergeren”, maakte eerder dit jaar geen schijn van kans. Officieel is er een wapenembargo, maar dat is nauwelijks nageleefd. Het leidde vorige maand tot een confrontatie op zee tussen NAVO-leden Frankrijk en Turkije, toen de eerste een schip wilde tegenhouden dat de tweede doorvoer wilde verlenen. Voor de Franse president Macron is dat een voorbeeld van wat hij eerder de „hersendood” van de NAVO heeft genoemd.

Lees ook: Turkije troeft Frankrijk af in slag om Libië

In de achtertuin van Europa ontwikkelt zich zo een kruitvat dat op ontploffen staat. Dat brengt niet alleen eerdere inspanningen om controle te krijgen over migratiestromen in gevaar, maar zet ook de verhoudingen in het Noord-Atlantische bondgenootschap verder op scherp. Aan de zijlijn blijven staan, kan dus niet – al is het maar uit eigenbelang.